Vier weken avontuur tegen de zomerdip

Les om kennis scholieren op peil te houden.

Muziekles op de Zaanse Zomerschool. Foto Olivier Middendorp

„Alleen in mijn les mag je je middelvinger gebruiken.” Vioollerares Mirjam Michel steekt haar instrument in de lucht en laat zien hoe de vingers op de hals moeten worden gezet. Om haar heen staan 25 kinderen uit groep 4 van de Zaanse Zomerschool met een viool in hun hand. Sommigen kijken geconcentreerd naar de docent, anderen zijn al begonnen met spelen. Michel praat geduldig door tot ze van elk kind de aandacht heeft. Als iedereen even later het liedje ‘Konijntjes’ inzet, stijgt een indrukwekkend gekerm ten hemel.

Het is muziekweek op de Zaanse Zomerschool. In andere lokalen zijn leerlingen in de weer met cello’s, hoorns en klarinetten. Nadat ze ’s ochtends taal en rekenen hebben gedaan, is het nu tijd voor ontspanning. Plezier maken én leren, dat is de essentie van de zomerschool, die dit jaar voor de derde keer wordt georganiseerd. Enthousiaste en veelal jonge docenten behoeden hier een groep kinderen die moeite heeft met taal en rekenen voor een ‘zomerdip’.

Wassim (10) neemt zijn verblijf op OBS De Spiegel uitermate serieus. Hij gaat in augustus naar groep acht. „Dat wordt een heel belangrijk jaar voor me”, zegt hij. Hij wil profvoetballer of advocaat worden, maar heeft problemen met taal. „Woordenschat en spelling vind ik moeilijk. Daarom moet ik hier veel oefenen.”

Bekir (9) zit naast Wassim op de rand van de pingpongtafel op het schoolplein. Hij heeft ook moeite met spelling. „Gelukkig hebben we hier twee juffen in de klas. Dan ben je eerder aan de beurt als je vragen hebt. Op de gewone school is maar één juf.”

Hoewel het leren natuurlijk belangrijk is, zien de twee vooral uit naar de activiteiten die ’s middags worden ondernomen. Ze zijn al naar Amsterdam geweest, en een bezoek aan de Zaanse Schans ligt in het verschiet. Bekir: „Ik vind de schoolreisjes heel leuk.” Wassim: „Dat heet hier geen schoolreisje, maar examen.” Bekir: „Je bedoelt excursie.”

Margreet Dekker, directeur van de Zaanse zomerschool, zit in haar kantoor met uitzicht op het schoolplein. „Kinderen willen in de vakantie avonturen beleven” zegt ze. „Veel van de kinderen die wij hebben, gaan niet op vakantie omdat er geen geld voor is. Door hun verblijf hier hebben zij ook mooie verhalen te vertellen als de school weer begint. En als het goed is, hebben we ervoor gezorgd dat de kennis die ze het afgelopen jaar hebben opgedaan niet is weggezakt.”

Verspreid over twee locaties krijgen 150 kinderen van twintig scholen uit de gemeente Zaanstad vier weken les. De ouders betalen tien euro per week. De gemeente draagt een ton bij. Ieder kind is welkom, zegt Dekker. „Als ze maar zin hebben. Van elk kind dat hier komt, krijgen we een dossier van de eigen leerkracht. Zo weten we waaraan we moeten werken.”

Bij Senna (8) is dat rekenen. „Daar ben ik heel slecht in”, biecht ze vrolijk op. „Het moeilijkst zijn de tafels van vier, zes, acht en negen.” Senna heeft er „een beetje spijt van” dat ze zich heeft opgegeven. „We hebben net een nieuwe trampoline in de tuin. Daar had ik eigenlijk wel graag op willen springen. Maar gelukkig is mijn BFF’je [best friend forever] er, dus daarom vind ik het ook leuk.”

Directeur Dekker heeft dit jaar één kind echt boos zien binnenkomen, zegt ze. „Maar die was na een dag ook om.” Toch loopt de zomerschool niet voor iedereen goed af. De kinderen die komen, hebben vaak niet alleen leerproblemen. „We hebben ook leerlingen met gedragsproblemen. Die geven we duidelijk aan wat onze grenzen zijn, maar soms is dat niet voldoende. Dan moet zo’n kind weg. Gelukkig komt dat niet vaak voor. Vorig jaar heb ik maar één kind moeten verwijderen.”

Het is belangrijk dat de zomerschool ook voor dit soort leerlingen toegankelijk blijft, zegt Dekker. „Zij zitten op hun eigen school vast in een negatief verwachtingspatroon. Bij ons krijgen ze de kans zichzelf opnieuw uit te vinden.”

Dat veel kinderen het naar hun zin hebben op deze zomerschool, is duidelijk. Maar worden de prestaties er nu ook echt beter van? Dat, moet directeur Dekker bekennen, is moeilijk te bewijzen. „Er zijn zelfs mensen die vraagtekens zetten bij het hele fenomeen zomerdip. Wat je eigenlijk wilt, is een test aan het begin en eind van de vier weken om te kijken wat ze hebben opgestoken. Maar die is er niet. In Amsterdam worden dit jaar voor het eerst leerlingen vergeleken die wel en niet naar een zomerschool zijn geweest. Hopelijk maakt dat onderzoek het nut van zomerscholen inzichtelijk.”