Rutte deed het goed in overleg met Poetin

In de gesprekken met Rusland over rampvlucht MH17 koos Nederland terecht een bedachtzame koers, vindt Ko Colijn.

illustratie manny francisco

Lankmoedigheid. Hulpeloos. Chamberlain. Wanhopig. Zwaar voor zijn kiezen. Timide. Ambtelijk. Kruiperig relativisme. Woorden die blijven hangen in de meer kritische commentaren op het optreden van Nederland en zijn premier in de confrontatie met Rusland. Is die kritiek terecht?

Inschikkelijk is nog de vriendelijkste typering die ik las over dat optreden. Laten we er verder niet omheen draaien. Bij een ontzagwekkend drama als het neerhalen van de MH17 – ik gebruik nu maar de term waar alle leden van de Veiligheidsraad geen moeite mee hadden – moet ruimte zijn voor verontwaardiging en woede. De uitzonderlijkheid van zo’n gebeurtenis schept zijn eigen rechtmatige input. Doorgaans is het Nederlandse publiek niet zo betrokken bij het buitenlandbeleid en aanvaarden we enige afstand tussen makers en volgers van beleid. Doorgaans worden we ook niet zo rechtstreeks getroffen door buitenlandbeleid als nu.

Ik breek voorzichtig een lans voor het recept van inschikkelijkheid dat de Nederlandse regering heeft gehanteerd. Buitenlandpolitiek is een vierdimensionale danse macabre: 1) de Nederlandse regering moet met de tegenstander on speaking terms blijven omdat we denken dat we 193 lichamen en een toedrachtsonderzoek niet zonder Poetins medewerking kunnen veiligstellen; 2) we moeten in teamverband het optimale resultaat zien te bereiken. De medestanders – Parijs, Londen, Berlijn, Washington, Canberra – reageerden behoorlijk coherent en haalden onszelf goed getimed de scherpste woorden uit de mond; 3) moderne diplomaten moeten tot een vergelijk komen met non state actors (in dit geval: dronken krijgsheren, zelfbenoemde autoriteiten van volksrepubliekjes) en 4) last but not least moet het buitenlandbeleid in een mondige democratie ook recht doen aan de eisen van het binnenland, en dat zijn in de vliegramp de emoties van woede, verdriet en zelfs vergeldingsdrang die in daden vertaald moeten worden.

Een karikaturale eis van binnenlandse inbreng was de oproep tot militaire interventie (stuur de special forces, riep een Kamerlid) – nu gelukkig een gepasseerd station. Die zou niet effectief geweest zijn want Nederland is daartoe niet in staat, onze bondgenoten willen niet in zo’n wilde herhaling van de tiendaagse veldtocht worden meegesleept, en het zou de prioriteit van de repatriëring in groot gevaar hebben gebracht.

Maar hadden we niet wat assertiever mogen zijn? Dat is wel een terechte vraag, als we er zeker van zijn dat het humanitaire en morele gewicht ook nog tot sneller en beter resultaat zou hebben geleid. Ik denk dat we hier een deel van de diplomatieke werkelijkheid hebben gezien. In de choreografie met de bondgenoten, ook een vorm van inschikkelijkheid, is het logisch dat Nederland de volgorde van eerst de bodybags en dan de officiële woede koos, dat de incriminerende taal aan Londen, Parijs en Washington werd overgelaten en de geserreerde maar bitse zelfbeheersing aan Den Haag.

Wie goed observeerde kon zien dat Nederland binnen die rolverdeling de grenzen opzocht. De speeches van Frans Timmermans, zijn présence in Kiev en New York demonstreerden dat Nederland op deze dagen, even, meer recht van spreken had dan gewoonlijk. Premier Rutte escaleerde bedachtzaam, maar soms met een flinkheid die meer Churchilliaans had mogen klinken, zijn grote voorbeeld. Misschien had hij last van de herinnering aan Sotsji. De uitvoering kon beter. Maar het recept was goed.