Column

Parafernalia van een verdwenen cultuur

De oorlog is hier vér weg, en tegelijk alomtegenwoordig. Het is kijkdag in twee enorme bedrijfshallen, voor wat vermoedelijk de grootste veiling van militaria ooit is, zeker in Nederland. Ongeveer 150.000 voorwerpen zijn door de firma Troostwijk, een internationale onderneming met vijftien vestigingen die zich meestal bezighoudt met de veiling per internet van voertuigen of machines, in 600 te veilen kavels georganiseerd.

In de hal te Geldermalsen zijn vandaag al honderden belangstellenden geweest, vertelt de commercieel directeur van Troostwijk Nederland, Frank Adam. Op tafels en in kasten ligt een heterogene verzameling. Honderden militaire petten en baretten, uit tientallen landen. Dozen epauletten. Een Britse militaire motorfiets, op aanhanger. Helmen uit beide wereldoorlogen. Sirenes, die het nog doen. Pistoolholsters. Geweren. Schepjes. Veldtelefoons. Pakjes noodverband. Sabels. Jerrycans. Patronen. Allerlei apparaten en meters, waarvan de werking voor de leek niet aanstonds duidelijk is. Schepjes om een schuttersputje of latrine mee te graven. Een bord: „Opkomst Prinses Irene-kamp Eindhoven.”

Er is ook een complete Duitse veldkeuken uit de Eerste Wereldoorlog en zijn er honderden onaangebroken noodrantsoenen. De militaire voorwerpen – uit vele landen – zijn sinds 1986 verzameld door één man, de nu 68-jarige Jan van Gelder, eigenaar van een army-dumpzaak in het Gelderse Heukelum. Nu wil hij ervan af. Hij is een dagje ouder, en ze nemen in zijn bedrijfsopslag erg veel ruimte in. De firma Troostwijk heeft – om zeker te zijn dat de kijkdag en de veiling niet ontaarden in een eldorado voor neonazi's of andere engerds – de hulp ingeroepen van het Centrum Informatie en Documentatie Israël om na te gaan of er bezwaren bestonden tegen bepaalde stukken. Er zijn dus geen SS-insignes en dergelijke.

Wie lopen er wel? Handelaren uit binnen- en buitenland. En nieuwsgierigen, wier belangstelling niet zelden een element van nostalgie in zich draagt. Een gepensioneerde Nederlandse militair geniet zienderogen van het contact met het soort spullen dat zo lang zijn wereld vormde. „Zo'n zender, daar heb ik nog mee gewerkt.” Een vrouw zegt dat zij „uit een militair nest” komt, omdat haar moeder heeft gediend bij het vrouwenkorps van het KNIL, ten tijde van de politionele acties in Indië. Een Belgische meneer staat verlekkerd naast een tafel met geweren uit de Eerste Wereldoorlog. „Maar ik ga niet bieden hoor, want de Belgische wetgeving voor wapenbezit is zo streng geworden. Wat ik had, heb ik allemaal verkocht, omdat ik steeds meer vergunningen moest hebben.”

Alles op deze tafels en stellages is oud, en maakt een achterhaalde indruk. Het lijken de parafernalia van een verdwenen cultuur – alsof je in een museum van oudheden naar overblijfselen van de Scythen kijkt. Het zijn curiositeiten uit een andere wereld. Vooral sinds in Nederland de dienstplicht is afgeschaft, lijkt oorlog iets uit het verleden, iets wat je als gemiddeld burger niet langer persoonlijk aangaat. Toch zijn net bijna tweehonderd Nederlanders omgekomen in een oorlog, waarvan velen van hen vermoedelijk maar een flauwe notie hadden.