Naar de kerk? Of toch stappen

Hoe gaat het met de derde generatie Nederlandse Molukkers? Die vraag beantwoordt de Maastrichtse Nira Kakerissa (28) in haar korte film Aku. Haar generatie staat voor de keuze: de Molukse cultuur loslaten of vasthouden aan de traditie.

Terwijl Junus de plaatselijke toko verlaat, roept zijn Molukse broer hem: „Kom nou Junus!” Druk pratend over de geloofsbelijdenis, een religieus, Moluks ritueel, trappen ze een balletje. Dan valt het stil. Twee Maastrichtse vriendinnen staan bij het voetbalveldje. Ze vragen of Junus mee gaat winkelen. Zijn broer raakt geïrriteerd. „Je gaat toch niet mee met hun, hè?!” Twijfelend kijkt Junus van zijn broer naar de meiden. En weer terug. „Nee laat maar, mijn broer heeft gelijk, ik mag niet van mijn vader.” De meisjes druipen teleurgesteld af. Junus zucht diep.

Het is een scène uit Aku, een film over Molukse jongeren. Ze zijn goed ingeburgerd in Nederland, maar kiezen ook voor hun eigen tradities. Deze mengeling van culturen loopt niet altijd even vlekkeloos. Vanwege de druk van hun ouders om niet te verwesteren. Of het gevoel om tussen wal en schip te vallen. Hoe gaat het met deze derde generatie Molukkers in Nederland?

De Nederlands-Molukse filmmaakster Nira Kakerissa (28) maakte er in samenwerking met cameraman Daniël Matakena (39) een korte film over. Aku (Moluks voor ‘ik’) gaat over Molukse jongeren in Nederland en hoe zij omgaan met verschillende, culturele gewoontes.

Ze moest extra scènes schrijven

Op haar zevende had Kakerissa al de wens om de film Aku te maken. Ze studeerde fotografie, visagie en camerawerk. Twintig jaar later is het zover. Ze wilde de productie klein houden – het is haar eerste werk. Dat lukte niet. „Mensen waren zo enthousiast, dat we extra scènes schreven.” Zo konden meer figuranten en crewleden meedoen. Zo’n 150 mensen werkten uiteindelijk mee, zegt Kakerissa. De première in haar woonplaats Maastricht was in no time uitverkocht.

Zondag stappen, niet naar de kerk

Aku is gebaseerd op persoonlijke ervaringen van Kakerissa. Met een Nederlandse moeder en Molukse vader is ze in beide culturen opgegroeid. „Bij mijn Maastrichtse familie voel ik me Maastrichts, bij mijn Molukse familie Moluks.” Veel Molukse jongeren schipperen tussen die twee werelden, vertelt Kakerissa. „Onze opa’s en oma’s hadden vooral eigen regels, die ze doorgaven aan onze ouders.”

Bepaalde Molukse regels en tradities laat ze niet los. „Zoals je familie altijd op de eerste plek zetten, respect hebben voor ouderen en Molukse liederen zingen.” Ook muziek speelt een belangrijke rol. „Ieder gezin heeft een gitaar. We dansen veel samen, zoals de feestelijke polonaisedans Katredji.”

Molukse jongeren zijn al meer gemengd met Nederlanders, zegt ze. „Daarom is het aan deze generatie wat we doen met onze cultuur: loslaten of vasthouden?” Dat betekent keuzes maken. Toen ze achttien was, zei haar vader: ‘Ik heb je geleerd hoe het bij ons gaat. Nu is het aan jou. Volg je dat of doe je het anders, op je eigen manier?’ Kakerissa gaat niet meer elke zondag naar de kerk, zoals vroeger. Zoveel mogelijk probeert ze haar familie te zien en Molukse festivals te bezoeken. Maar ze spreekt ook het Limburgs dialect en gaat stappen met Nederlandse vrienden. Ze koos dus voor een middenweg: inburgeren, maar ook Molukse gewoontes bewaren.

Haar gemixte levensstijl ziet Kakerissa terug bij meer Molukse jongeren. Die voetballen bij de plaatselijke club, zingen mee met Nederlandse liedjes, maar gaan ook naar Molukse straatfeesten, want ze willen weten waar hun roots liggen. Kakerissa: „We willen weten wat onze voorouders hebben meegemaakt. Dat is een gedeelte van jezelf, van je geschiedenis. Als ik niet weet dat mijn opa KNIL-militair was (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, red.) weet ik ook niet waarom ik hier ben.”

Gespannen carnavalsfeest

De keuzes van Molukse jongeren vallen niet bij alle ouders goed, zegt Kakerissa. Veel ouders houden vast aan de tradities vinden hun kind ‘te Nederlands’. „Anderen zijn trots dat jongeren ook voor de Molukse cultuur kiezen.” Kakerissa trekt zich hier niets van aan. Dat was niet altijd gemakkelijk. Tijdens carnaval was er één plekje in de stad waar mensen niet verkleed waren. Dat was een café waar alleen Molukkers kwamen. „Ik kwam daar dan toch verkleed binnen. Iedereen keek me raar aan. Maar ik vind dat dat erbij hoort. Wat mijn afkomst ook is, het gaat erom wie ik ben. Daarom blijf ik doen wat ik wil doen en volg ik mijn eigen pad.”