Vliegvissen

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Lanny, de vliegvisinstructeur, heeft alle spullen bij zich. Een lange hengel, lijnen in verschillende diktes. Namaakvliegen als kleine plukjes haar in roze en rode tinten, met een verraderlijk scherp haakje eraan vast. Een schaar en nog veel meer. Hij draagt een vest met op de rug een haak waaraan een net hangt. We zijn in Montana, aan de Gallatinrivier. Ik herken het landschap van de film A River Runs Through It.

Zwijgzaam trekt hij de lijn door de lussen van mijn hengel, controleert de spanning en geeft hem dan aan mij. Hij kijkt toe terwijl ik oefen met het werpen van de hengel. „Je moet er gevoel voor krijgen”, zegt hij.

Dan stappen we in de wild stromende rivier. De meeste vissen zitten achter de stenen waar het water omheen buigt, vertelt hij. Ik werp mijn hengel uit, telkens opnieuw.

„Verder”, beslist Lanny na een poosje. Hij kent de rivier op zijn duimpje. Al dertig jaar komt hij hier om te vissen. Hij weet de beste plekken. Ik werp opnieuw mijn hengel uit, terwijl de zon in mijn gezicht en op mijn handen brandt. Ik ben door en door nat, maar het deert me niet. Elk besef van tijd ben ik kwijt. Maar de vissen bijten niet.

„Vliegvissen heeft te maken met concentratie”, zegt Lanny. We lopen stroomopwaarts. Ik probeer niet te struikelen over de stenen, niet in een kuil te stappen. De plek waar we begonnen is al lang uit het zicht verdwenen.

Hij heeft me beloofd dat ik een forel zou vangen, al is het maar een kleine. Ik word gestoken door een mug. Lange poten op mijn hand. Een dun straaltje bloed als ik hem doodsla.

Nog steeds geen vis. „Je slingert te snel. Je moet de worp tot een vloeiende beweging maken, als een dans”, zegt Lanny. Hij doet het voor. Als hij loopt, heeft hij last van zijn rug, maar hier, op het water, is hij in zijn element. „Nu begrijp je waarom ze Montana big sky country noemen”, zegt hij, met een blik naar de hemel. Mijn ogen tranen in het felle licht.

Dan, opeens, voel ik spanning aan mijn hengel. Ik recht mijn rug. Door aan de lijn te trekken haal ik de vis uit het water. „Een regenboogforel”, zegt Lanny opgetogen. „Een grote nog wel.” Dan volgen de handelingen zich op. Lanny vangt het spartelende dier met het net dat hij van zijn rug losmaakt. Hij opent de bek van de vis. Het dier kan geen kant meer op in de ferme hand van de visser die met een schaar de vlieg uit zijn keel haalt. Het lijkt afgesproken werk, tussen de visser en het dier. Nog steeds in zijn hand geklemd, laat Lanny de vis in het water op adem komen, voor hij hem voorzichtig loslaat. Lanny’s gezicht verraadt concentratie. De lijnen langs zijn mond lijken dieper. Hij ziet er gelukkig uit.

„Waarom doe je dit eigenlijk”, vraag ik, „al dertig jaar lang?” Hij kijkt me aan met zijn diepblauwe ogen, die iets triests hebben. „Ken je Hemingways verhaal Big Two-Hearted River? Nick Adams, de hoofdpersoon, vist naar forel. Voor hem is het een manier om te genezen van de wonden die hij in de oorlog opliep.” Hij struikelt bijna over een steen, maar weet zijn evenwicht te bewaren. „Het water en de routine van het vissen hebben een helende werking.”

Later die middag, als we terug lopen, zien we hoog in de boom een visarend. Doodstil loert hij naar het snel stromende water.