Mosselplukkers

illustratie jet peters

Vroeger was het vaste prik op de pagina ‘lokaal nieuws’ van de zomerse Provinciale Zeeuwse Courant: ‘Duitse mosselplukkers met spoed naar ziekenhuis’. En: ‘Na het leegpompen van de maag konden onze oosterburen hun vakantie hervatten’. Net goed voor die moffen, dacht je dan. Het was in de tijd, moet je maar denken, dat je nog geregeld op het Walcherse strand stram gecoiffeerde grijsaards hun familie op duinbunkers zag wijzen: „Mann, dass war ein Zeit…” Zand erover – en dat geldt ook voor veel bunkers.

Wat die mosselplukkers over het hoofd hadden gezien, was het risico van een giftige alg, een dinoflagellaat, die zich, simpel samengevat, buiten het seizoen bij hoge watertemperaturen in de tweeklepper had gevestigd.

Dat seizoen kenden alle kustbewoners: zit er een ‘R’ in de maand, dan heb je groen licht. Maar zo eenvoudig is het allang niet meer. Vorige week, half juli, de ‘R’-loze maand augustus is nog niet eens begonnen, opende het ‘bodemmosselseizoen’. Leuk voor de bodemmosselkwekers, maar intussen waren de mosselen uit de hangculturen, zoals bij Bruinisse en op de Neeltje Jans, al zes weken volop te koop. Doordat die hoog in de waterkolom hangen, zijn de kweekomstandigheden gunstiger, waardoor ze eerder groot worden.

Een marketingconflict ligt op de loer: welke mosselsoort is lekkerder? Lastig. Het is de wedloop van argumenten in Willem Elsschot’s Lijmen, over het type ledikanten van de Firma van Ganzen: hout is warm, maar misschien wormstekig, ijzer is dan wel kouder maar nimmer wormstekig. Eén vergelijking, twee onbekenden: onoplosbaar. Maar de allesoverheersende rol bij de smaak van mosselen is niet ‘hang’ of ‘bodem’. Die is weggelegd voor de manier waarop je met de dieren omgaat. Te lang bewaard: niet goed. Te hard gebakken: taai. Enzovoorts.