Indianen

Op de Izoard heerst vrede. Dat is opmerkelijk want de berm is dichtbevolkt. Auto’s en campers staan tegen elkaar geperst. Veel toerfietsers hebben zich naar boven gehesen. Hun fietsen van een paar mille zijn nonchalant op de stenen gekwakt. Ook opvallend: geen Nederlanders, Italiaans is de voertaal. Een viertal draagt fluorescerende netkousen. Ik zie een Batman en een Robin, een man in een Borat-bijna-naaktpak. Iemand heeft een opblaaszwembadje met water gevuld. Ik ontsnap aan de verleiding me suf te prakkezeren waar al dat water vandaan komt.

Ik ben in goed gezelschap. We liggen op een met hard mos bedekt plateautje, en keuvelen of zwijgen. Het eroderende bergmassief is indrukwekkend. Een gevoelig mens zou in een bepaalde gemoedstoestand erom kunnen huilen. Vanaf onze plek zien we het zwart, kronkelig asfaltlintje van een paar kilometer waarover straks de renners omhoog zullen klauteren. Links van ons kronkelt het asfalt nog een kilometer verder naar de top. Silhouetten tekenen zich af tegen de hemel. Ik herinner me – ik was een broekie van 23 – hoe een oude rot naar boven wees en tegen me zei: „Indianen”. En dat ik dat toen een prachtige metafoor vond. De indianen met hun geniepige pijlen die toch een paar van ons zouden treffen.

Ik begin me af te vragen of het voor een oud-professional een voor- of een nadeel is op meer dan 2.000 meter hoogte naar een Tourpassage te gaan kijken. Onbevangen zal ik het allemaal niet kunnen gadeslaan. Sowieso word ik overspoeld door herinneringen, maar er is daarnaast nog het zuiver fysieke, onafhankelijke geheugen in de spieren. Het maakt de identificatie met de jongens die nu in het zadel makkelijk. Mijn benen zullen straks medelijden hebben, terwijl mijn hoofd streng zal zijn: ze willen het toch zelf, niet zeuren, heren! Er zit meer pijn dan glorie in mijn benen. Enfin, ik heb nog dik anderhalf uur om mijn positie te bepalen.

Eerst verschijnen de helikopters. Ze vliegen dieper dan waar wij liggen. Dan zien we de stipjes daaronder. De kopgroep blijkt uitgedund. Een lichte maar toch beschaafde opwinding maakt zich meester van de mensen langs de kant. De renners naderen sneller dan ik verwacht. En als ze passeren de altijd weer vreemde, intieme sensatie: je kunt ze aanraken en ruiken – en zij ons. Het is een verlies dat de zonnebrillen de ogen bedekken. Scheelheid of juist niet, het is een belangrijke indicatie van hoe iemand erbij zit. De mate van bleekheid van de koppen is nu de graadmeter, en of de pedaaltred van de broodmagere rachitisbeentjes van oude zeelieden vierkant of mooi rond is.

Een groepje met Lars Boom passeert. Hij ziet me staan en roept: „Hoe is het?” Boom, de man in een meer dan glanzende vorm overleeft de Izoard in een luxe die ik nooit heb gekend.