Willem Witteveen was verdediger rechtsstaat

Van de moord op 298 vliegtuigpassagiers staat je hart stil, in het bijzonder als je iemand kent. Dat ook de jurist Willem Witteveen, met vrouw en dochter, zo aan zijn einde kwam kan ik niet begrijpen. Hoe kan nou zo’n zachtaardig, intelligent, intens humaan en evenwichtig denkend iemand worden opgeblazen met een luchtdoelraket?

Ik leerde Willem ruim drie decennia terug kennen bij Mare, het blad van de Leidse Universiteit. Een jong docent staatsrecht toen, secretaris van de redactieraad en voor ons een sleutelfiguur. Het waren de jaren ’70 – de macht was verdacht en moest gecontroleerd worden. En wij jonge journalisten wilden graag heel erg serieus genomen worden. Willem leidde het gekrakeel daarna in goede banen. Vervolgens moest hij zorgen dat we niet wegbezuinigd werden. Dat deed hij met animo. Hij formuleerde enige ironische prachtzinnen tegen de academische nomenklatoera die we hadden gekwetst, wees ons in het voorbijgaan op wat serieuze verbeterpuntjes en moest erg lachen om alle ophef.

Een zachte stem, altijd een twinkeling in de ogen en drie keer zo slim als wij. Hij maakte snel carrière, promoveerde, werd hoogleraar encyclopedie van het recht in Tilburg en senator voor de PvdA.

Een rechtsfilosoof die boeken schreef over retoriek en het recht. Eind jaren ’90 schreef hij een nieuw beginselprogramma voor de PvdA waar de partij vervolgens niet aan wilde. Daarna mocht hij in de Senaat net zo vaak ergens alleen tegenstemmen tot de partij hem onverkiesbaar stelde. Waarna hij door het wonder van de doorstromers toch weer in de Senaat kwam. Hij liep daar met intens genoegen rond. Een ruimte om de geest te laten waaien. Dit voorjaar gingen we samen een cursus geven aan hogere ambtenaren. Dat wil zeggen, hij gaf die cursus en ik mocht ook wat zeggen. Het was in de vertrouwde rolverdeling. Willem zorgde voor rust en orde. En ik voor rumoer en ophef. Over de rechtsstaat natuurlijk.

In maart was er net een mooi debat geweest, in de Senaat. Eerst een hoorzitting waar de top van juridisch Nederland de ‘staat van de rechtsstaat’ kwam fileren. Gevolgd door een debat gevoerd door de echte deskundigen. Daar zat Willem natuurlijk ook bij, als PvdA-woordvoerder justitie. Hij begon met Kees Schuyt te citeren. „In een rechtsstaat is de overheid gebonden aan maat en regel”. In zo’n staat is de burger vrij om kritiek te leveren. De overheid is bereid er zich iets van aan te trekken en zich fatsoenlijk te gedragen tegen de burger. In de kern rust de rechtsstaat dus op zelfbeperking, door de macht. Dat is dus moeilijk waar te maken. Zeker in een tijd waarin partijen draagvlak verliezen, populisme de verhoudingen bederft en de ruimte voor een tegenstem beperkter wordt.

Witteveen vond ook dat er wel héél veel wetgeving was ingediend waarin de balans tussen vrijheid en veiligheid was verstoord. Het beperken van de strafrechter om een taakstraf op te leggen, ook als dat passend is. Het afschaffen of verlengen van de verjaring. De bestuurlijke boete invoeren voor vergrijpen waar nu nog het strafrecht geldt. Wat dus neerkomt op het inleveren van waarborgen door de burger. Steeds meer vergrijpen door parketmedewerkers laten afhandelen – en niet meer door de onafhankelijke rechter.

Dat betekent dus straffen door het bestuur, een schending van de trias politica. Het plan om de straf al uit te voeren, terwijl het hoger beroep nog loopt. Minder rechtsbescherming dus. Gevangenen laten betalen voor hun detentie, wat dus een (extra) vermogensstraf van de overheid is . Veiligheid komt voor justitie en geld komt voor recht, concludeerde hij.

Ik zal het onthouden. Dat is wel het minste.