Column

Haal de universiteit terug naar het hart van de stad

College geven in een steriel zaaltje drie hoog achter? Doe het niet, zegtAnton van Hooff.

Kan een stad gewoon te gezellig zijn voor een universiteit? Deze vraag kwam bij mij op naar aanleiding van de ongunstige beoordeling die de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit Maastricht kreeg van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Onlangs trad ik hier op in de aula: de omgebouwde kerk van wat eertijds een Franciscaner klooster was.

Hoe groot is het contrast met de aula van ‘mijn’ Nijmeegse universiteit: die is een bioscoopzaal, even steriel als het groot auditorium van de VU. Terecht heeft Universiteit Maastricht het historische voorbeeld van de Universiteit Leiden gevolgd door een vrijkomend kerkelijk gebouw tot haar hart te maken. Ook de UvA heeft in de voormalige Lutherse Kerk aan het Spui een passende tempel voor haar academische rituelen gevonden. De Universiteit Utrecht heeft zich bij de Dom een waardig Academiegebouw bezorgd. In Groningen staat een Academiegebouw dat in 1907-1909 is gebouwd en door zijn architectonische kwaliteit de status van rijksmonument heeft gekregen.

De Maastrichtse aula sluit dus aan bij de traditie dat een aula een eerbiedwaardig onderkomen moet hebben en in het stadscentrum thuishoort. In de directe omgeving bevinden zich de locaties van de faculteiten die geen grootse gebouwen nodig hebben, zoals rechten, cultuur- en maatschappijwetenschappen, de bibliotheek en centrale voorzieningen. Alleen voor de medische faculteit en academisch ziekenhuis is begrijpelijkerwijs ruimte aan de rand van de stad gezocht.

Gevolg is dat het in de binnenstad wemelt van studenten en docenten die onderweg zijn of zich verpozen op de terrassen en in de cafés. Zo hoort een echte universiteitsstad eruit te zien. Na mijn voordracht in de aula stonden we gewoon voor een embarras du choix: waar zouden we nog iets gaan drinken en kouten?

Gelukkig zijn de universiteiten van Leiden, Groningen en Utrecht bijtijds teruggekomen van het onzalige voornemen alle gebouwen naar de periferie te verplaatsen. Tilburg, de VU en Nijmegen daarentegen zijn gezwicht voor de geest van de jaren zestig/zeventig en hebben zich teruggetrokken in reservaten.

De fatale gevolgen van deze ontwikkeling laat mijn universiteit op schokkende wijze zien. In de binnenstad, waar zij ooit prachtige panden bezat, herinneren plaquettes in het plaveisel aan een beter verleden: ‘Hier stond ooit het hoofdgebouw van de Katholieke Universiteit Nijmegen.’

De Nijmeegse campus is een dode plek in de stad: ’s avonds en in het weekeinde lijkt het terrein op een surrealistisch schilderij. Een moord op vrijdagavond zou pas maandagmorgen ontdekt worden.

De Nijmeegse universiteit heeft de stad de rug toegekeerd. Een potentaat besloot er tien jaar geleden pardoes dat het voortaan ‘Radboud Universiteit Nijmegen’ moest zijn. Niemand kent Radboud, een obscure middeleeuwse heilige uit de Nederlandse santenkraam. Onlangs besloot de universiteit ook ‘Nijmegen’ uit de naam te schrappen. Waarom? De universiteit lijkt zich te schamen voor de stad die ze zo nodig heeft om echt een academie te zijn.