De rouw vindt zijn weg naar dorpen en steden

Overal in Nederland herdenken mensen de slachtoffers van de ramp met MH17. „O, wat is dit erg, wat is dit erg.”

Nooit eerder stonden er zoveel bloemen voor de ramen van ‘Neeltje’s Bloemen’. Er hangen kaartjes aan met handgeschreven teksten. ‘Vorige week heb je mij nog verteld wat jullie allemaal gingen doen op Bali.’ ‘Ik kan het niet begrijpen.’ ‘Twee positieve mensen in het begin van hun leven, twee zo geliefde mensen, zomaar weggehaald.’

De bloemen zijn neergelegd door vaste klanten, niet zo vaste klanten en onbekenden. Door een vrouw die een moeder goed kende. Door een jongen die met hem in de band speelde. Door de slager. De loodgieter. De meesten schrijven iets in het condoleanceboek. Er wordt veel gehuild.

„Ik doe het voor de familie, dat is het minste wat ik kan doen”, zegt Suzanne Veerman. Ze komt vaak bij Neeltje’s Bloemen als ze boodschappen doet in het winkelcentrum. „Ik kan het nog steeds niet bevatten.”

Als zij weer op haar fiets stapt, stappen andere mensen af. Meer bloemen.

Zeven zonnebloemen van een vrouw die haar handen tegen haar wangen drukt als ze de bloemenzee ziet. „O, wat is dit erg, wat is dit erg.”

Een rode roos van een oude man met een rollator. „Een ongeluk is tragisch, maar dit kan ik niet begrijpen.”

Volendam rouwt. Net als zoveel steden, dorpen en gemeentes in Nederland. Tegen een voordeur in Doesburg liggen bloemen – voor een man, vrouw en hun twee dochters. Op het terras van een Aziatisch restaurant in Rotterdam liggen bloemen – voor het echtpaar dat het runde. Bij de heg van een rijtjeshuis in Cuijk liggen bloemen – voor vader, moeder en zoon.

De vliegramp is dichtbij voor iedereen. Wie niet zelf iemand verloor, lijkt zich op een andere manier betrokken te voelen.

43 jaar achter de balie op Schiphol

Zo voelt Alice van Braam Morris zich betrokken omdat ze tot twee jaar terug passagiers incheckte voor de MH17; 43 jaar werkte ze achter de balies van Schiphol. Nu staat ze „met kippenvel” en met witte lelies in de rij voor het condoleanceregister bij de luchthaven.

Achter haar in de rij staat een jonge vrouw die haar stagebegeleidster verloor. „Zij was een rolmodel voor mij, en ik heb er niet veel”, zegt ze. Haar naam wil ze niet in de krant: „Ik vind dat er nu geen enkele aandacht voor mij moet zijn.” Twee vrouwen van een ontwikkelingshulporganisatie vertellen over een vrijwilliger met wie ze twee jaar geleden meubels maakten voor kinderen in Nepal. Dit weekend zwaaiden de vrouwen nieuwe vrijwilligers uit, deze keer ging de reis naar Indonesië, via Kuala Lumpur, met Malaysia Airlines. Bij het vertrek was het doodstil.

Ook bij de bloemen naast het condoleanceregister wordt gezwegen. Alleen een jongetje van acht zegt iets: „Mooi hè.” Mensen kijken naar de honderden boeketten en naar de knuffels van Nijntje en Pino die ertussen liggen. En ze kijken naar een foto van een vrouw. „Ik ga je missen juf. Groeten Ipe”, staat er naast.

Ongeloof overheerst. Het staat in witte letters op een rode strik en het is wat iedereen bij de rouwplekken zachtjes blijft herhalen. Maar er is ook steeds meer woede. Woede om de foto’s van mannen in legeruniformen die knuffels vasthouden van overleden kinderen. Woede om de berichten dat de lichamen en de spullen van de slachtoffers niet veilig zijn.

„Het is beestachtig hoe dit afgerond wordt”, zegt Truus Hoekstra bij Neeltje’s Bloemen in Volendam. Ze heeft net de broer van de overleden jongen gecondoleerd. „Moet je voorstellen dat een ander over de spullen beschikt die van jouw broer waren. Wat denk je hoe dierbaar het kan zijn om nog een paspoort van je broer te hebben, of van je overleden kind. Iets tastbaars. En dat wordt dan weggenomen.”