De geur van ontbinding blijft achter

Fotograaf Pierre Crom gaat weer naar de plek van de catastrofe. En naar Torez, naar een sinistere trein. „Ik ruik aan de wagon en ken de inhoud.”

Mijn chauffeur is mijn beste vriend geworden. Oleg is zwaarlijvig, drinkt liever bier dan water en is altijd te laat. Waarom hij mij steevast ophaalt met een lege tank snap ik ook niet. Maar ik vergeef hem. Hij luistert naar Metallica, praat hard en dat bevalt de pro-Russische rebellen op de checkpoints. Via prachtige landschappen die me met hun zonnebloemen aan de Tour de France doen denken, bereiken we het rampgebied, Grabovo.

Het is nog vroeg maar al druk op de plek van de catastrofe. Er lopen overal mijnwerkers, zo’n 150, opgetrommeld voor een speurtocht dwars door het gebied. Drie jonge mijnwerkers graaien in een stapel spullen: rugzakken, koffers en tassen van de slachtoffers. Er wordt naar geld gezocht in een leren zakje. De fototas is al leeg. Er valt niets meer te halen, waar zijn de smartphones, tablets en computers? Een portemonnee ligt op een andere stapel, met het groene bankpasje van een Nederlandse bank er nog in. Ongeveer dertig mannen doorzoeken snel de akkers op stoffelijke resten. De bossen zijn ondoordringbaar, die slaan ze over. Spreken ze in hun mobiele telefoon, dan vergeten ze links of rechts te kijken.

Het gerucht dat grote stukken van het vliegtuig zijn verplaatst, is vals. Alles ligt nog op dezelfde plek. Bijna alle lichamen zijn weg, op zo’n 25 na. Wat nog lange tijd zal blijven, is de geur van ontbinding. Er liggen hier en daar nog stukjes weefsel, de vliegen wijzen aan waar.

Er zijn geen gewapende milities, nog niet, de uitgebreide OVSE-missie komt pas later.

Tijd om op zoek te gaan naar de cockpit en daar te fotograferen. Die ligt tien kilometer verder. Bedrading, navigatieapparatuur, oranje pet, stoelen, ramen, bloed, navigatiekaarten, schoenen, weefsel, lege verpakkingen, kinderkleding, tijdschriften, oranje joggingpakken en nog veel meer. Niets is verbrand.

Terug naar Grabovo.

Vier reddingswerkers staan op een heuvel van zo’n 50 meter breed, die bestaat uit een compact mengsel van verbrand vliegtuig, bagage en reizigers. Een reddingswerker schept wat zwarte massa opzij, een ander heeft een mobieltje gevonden. Hij maakt het schoon met zijn T-shirt, kijkt ernaar en gooit het weg.

De pro-Russische milities zijn gearriveerd, de uitgebreide OVSE- missie volgt. Een groep journalisten haast zich achter de stoet van SUV’s en busjes aan. De pers moet honderd meter terug. Maar de kalasjnikovs intimideren niemand meer, duwen is het devies.

Er komen berichten over een trein met gekoelde wagons binnen. De stoffelijke resten zijn naar een andere plaats vervoerd. Tijd voor chauffeur Oleg om in actie te komen. Tegen zijn zin gaan we terug, richting Torez.

De trein staat aan het perron, de motoren brommen. Niemand weet waar hij naartoe zal gaan en wanneer, ook de machinisten niet. Een medewerker sluit de deur van een gekoelde wagon. Journalisten zijn aan het werk. Ik loop een rondje om de trein, ruik aan de wagon en heb een bevestiging van de inhoud.

Wat zou deze trein waard zijn voor de ‘Volksrepubliek Donetsk’ in oorlogstijd?

Oorlog is business.

Oleg heeft mijn mineraalwater opgedronken. Hij wil naar huis. We rijden terug naar Donetsk.

Mijn telefoon trilt, mijn opdrachtgevers willen weten: „Hoe laat kun je de foto’s sturen?”

Ik moet snel ophangen, op de parkeerplaats van het hotel staan vijf zwaarbewapende pro-Russische rebellen te wachten. Er is een persconferentie in een van de vergaderzalen.