Column

Achteroetkalle

Illustratie Olivia Ettema

Langzaamaan verdwijnt een bijzondere taalvaardigheid uit Nederland: de kunst van het achterstevoren praten. Ik ken twee plaatsen waar oudere mensen het nog vloeiend kunnen – IJmuiden in Noord-Holland en Stramproy in Limburg –, al zijn er misschien meer. Als jongeren het niet snel oppakken, kan binnenkort niemand het meer.

De bloeitijd was in beide plaatsen de Tweede Wereldoorlog. Een probleem voor het verzet was soms dat Duitse soldaten vrij gemakkelijk Nederlands konden verstaan. Er was dan behoefte aan een geheimtaal. Die maakte men door lettergrepen om te draaien: pool zeggen in plaats van loop, en kom in plaats van mok. Dat lijkt moeilijk (tat kijlt joemkijl), maar met een beetje training is het best te doen, terwijl er voor een buitenstaander geen touw aan vast te knopen is.

In IJmuiden was het procedé mogelijk al eerder opgekomen. Dat stadje aan de monding van het Noordzeekanaal ontstond pas aan het eind van de negentiende eeuw. IJmuidense vissers hadden daardoor een nadeel in de strijd met hun concurrenten uit andere kustplaatsen: ze spraken geen eigen dialect. Zo is hun geheimtaal ontstaan, die later dus ook zijn nut bewees in de bezettingstijd. Op internet kun je nog filmpjes vinden van mannen die vrij vlot IJmuidens met elkaar praten, al moet er af en toe nog wel iemand flink met zijn ogen rollen voor hij het hele woord voldoende omgedraaid heeft. Het is een wonderlijke ervaring: je hoort dat het Hollanders zijn, met hun ijen en uien, maar je kunt er geen touw aan vastknopen.

Sinds kort weten we dat honderden kilometers verderop, in Stramproy, hetzelfde is gebeurd. De Nijmeegse taalkundige Carlos Gussenhoven publiceerde deze maand een wetenschappelijk artikel over het Achteroetkalle in die plaats – kalle is het Limburgse woord voor ‘praten’. Ook in Stramproy, dat in het grensgebied met België ligt, een gebied voor smokkelaars, werd de geheimtaal in de oorlog vooral gebruikt als de Duitsers kwamen po et reut polken (op de deur kloppen).

Zoals uit de voorbeeldjes blijkt, wordt in de geheimtalen niet alles precies omgedraaid. Deur wordt niet reud maar reut, omdat we in het Nederlands een d aan het eind van een woord altijd als een t uitspreken. (Ook hond klinkt altijd als hont.) Zo zijn er wel meer uitzonderingen die bedoeld lijken om woorden uitspreekbaar te houden. De t aan het eind van een woord blijft aan het eind staan; lijkt wordt niet tkijl, maar kijlt.

Elders bloeit het achterstevoren praten in de jeugdcultuur. Het beroemdste voorbeeld vormen de banlieues van Franse steden waar al sinds enkele decennia een omdraaitaal gesproken wordt – het verlan, zelf een omkering van l’envers (‘het omgekeerde’). Sommige verlan-woorden zijn inmiddels via de media bij veel Fransen bekend. Beur, bijvoorbeeld voor arabe (arabier), en de naam van de Belgische zanger Stromae (van maestro).

In Nederland hebben jongeren de genoegens van het onverstaanbaar achteruit praten nog niet ontdekt. Sterker, zowel in IJmuiden als in Stramproy is het achterstevoren praten op zijn retour. Jonge mensen kunnen het niet meer, al hoeft niemand verbaasd te zijn als die bijzondere taalvaardigheid binnenkort weer ergens opduikt waar er behoefte aan is.