Ben jij ook al verslaafd aan digitale doping?

Foto Reuters

Aleida heette ze. Een positief type, want als levende coach van het Philips DirectLife programma was het haar taak om motiverende mailtjes te sturen naar mensen die met een bewegingssensor van dat merk rondliepen. “Wat geweldig om te zien dat je na een korte pauze in de wintermaanden het programma weer zo goed hebt opgepakt! Je gemiddelde energieverbruik is gestegen met 100 calorieën. Groeten, Aleida.”

Philips en Aleida waren in 2009 hun tijd ver vooruit. Nu maakt de hele elektronica-industrie draagbare gadgets die je activiteiten vastleggen. Wearable tech is het buzzword: sensoren in een armband (‘tracker), sporthorloges met GPS. En de smartwatch, die bewegingen meet en berichten van telefoon doorseint naar pols. Google bedacht daarvoor Android Wear. En Apple broedt op de langverwachte iWatch, vol sensoren.

De combinatie van sport en statistiek was altijd iets voor professionals, maar is dankzij de fitnessgadgets doorgedrongen tot het domein van de amateur. Die geeft al kapitalen uit aan sportkleding en accessoires, en een bewegingssensor van honderd euro en een abonnement op een fitnessapp mag niet ontbreken.

Slaap ik wel goed? Eet ik wel goed? Beweeg ik genoeg? Dat zijn de vragen die datasporters toevertrouwen aan ”smart’ sensoren. Volgens de commercials van de elektronicabranche worden we met wearable tech allemaal een stuk sportiever en gezonder.

Tot zover de reclame. Want digitale doping verandert niet iedereen in een topsporter. Zes redenen waarom we de fitnesshype niet te serieus moeten nemen.

1. Onbetrouwbare metingen

Fitnessgadgets wekken de suggestie dat ze je activiteiten nauwkeurig meten: data liegen niet. Maar vaak slaat de elektronica er maar een slag naar. Stappentellers zijn onbetrouwbaar. Zelfs als je achter je bureau zit om een stukje te tikken, een schroef in de muur draait of op het toilet je gulp opentrekt, denkt de sensor dat je aan het wandelen bent.

De fitnessarmband van Sony ziet gitaarspelen als een lange sprint. Dit is statistiek met de natte vinger. Of neem de hartslagmeter van de Gear Fit, een kruising tussen fitnessarmband en smartwatch. De optische hartslagsensor is comfortabeler dan een band om de borst, maar veel metingen mislukken. De helft van de tijd ben je klinisch dood.

Ook calorieverbruik wordt erg verschillend gemeten. Een rondje op de fiets, met een TomTom sporthorloge, de Runkeeper-app en een ouderwetse fietscomputer tegelijk, levert drie verschillende resultaten op. Dat scheelt al snel een boterham of drie.

2. Demotiverende data

Datasporters laten zich graag stimuleren door andermans activiteiten. Maar dat moet wel haalbare kaart zijn. Als je bijvoorbeeld bij Strava inlogt, een webdienst voor met name wielrenners, zie je ook hoe snel andere gebruikers op hetzelfde parcours presteren.

Strava is populair bij professionals – de jongens en meisjes die dagelijks vaseline onder de billen smeren. Hun prestaties zouden motiverend moeten werken, maar de moed zakt je in de schoenen als je ziet dat een bijna-beroepsrenner 61 kilometer per uur rijdt op een stuk waar jij (20 jaar ouder, 20 kilo zwaarder) amper 35 kilometer per uur haalt. De volgende keer mijd je dat traject.

Een schrale troost: sporters delen vaak alleen hun succesvolste prestaties met de buitenwereld. En je weet niet of dat persoonlijk record gevestigd werd met de wind mee, of in het kielzog van een scooter. Naast valsfietsers zijn er ook lieglopers die af en toe een stukje gaan fietsen, om de rit vervolgens als een razendsnel hardlooprondje op Facebook te delen: kijk eens hoe sportief ik ben.

3. Gedoe met Bluetooth

Je activiteiten meten brengt extra gedoe met zich mee. Batterij opladen, wachten: TomToms sporthorloge zoekt rustig eerst een minuut naar satellieten om zijn GPS-positie te bepalen. De draadloze bluetoothverbinding tussen sensoren en je telefoon is ook niet altijd solide. De Samsung Gear Fit geeft er tijdens de proefritten een paar keer de brui aan omdat de telefoon niet gevonden wordt. Dat betekent: afstappen, resetten en boos verder fietsen.

Meer gedoe: vrijwel alle geteste gadgets moeten om de haverklap geüpdatet worden en vragen om nieuwe software via de computer of de telefoon. Samsung en TomTom vernieuwden de software in de afgelopen weken een paar keer: de productcategorie lijkt nog niet helemaal af.

Het is bovendien niet eenvoudig om bewegingsgegevens uit te wisselen tussen fitness-apps onderling. Veel sporters klagen dat ze hun ‘geschiedenis’ kwijtraken als ze overstappen van het ene fitnessnetwerk naar het andere.

4. De tracker wordt overbodig

De wearable tech hype ten spijt, zullen veel fitnesstrackers van de markt verdwijnen zodra elke smartphone zijn ingebouwde bewegingssensoren gebruikt voor sporttoepassingen. De iPhone 5s heeft al een aparte, zuinige chip met bewegingsmeter die je activiteiten vastlegt. Voor de meeste amateursporters levert dat voldoende gegevens op en is honderd euro voor een extra sensor niet nodig.

Sportfabrikant Nike zag de bui al hangen en is gestopt met de productie van de populaire Fuel activiteitenmeter. Ook Philips levert zijn Direct Life sensor niet meer – Aleida heeft haar laatste motiverende mailtje verzonden.

Smartphones als de Galaxy S5 van marktleider Samsung tellen zelf hoeveel stappen je per dag neemt en kunnen meten wat je hartslag is. Dat is nog maar het begin: Samsung toonde afgelopen maand de Slimband, die ook bloeddruk en ademhaling moet gaan meten. Ook Apple stort zich op de gezondheidsrage: vanaf dit najaar heeft de iPhone een HealthKit die calorieverbruik, slaappatronen en sportactiviteiten vastlegt. Google bedacht net zoiets: Google Fit.

5. Het gezeur

Datasporters kunnen kiezen uit bewegingsschema’s, van beginner tot beroeps. Afvallen, conditie verbeteren, snelheid verbeteren, langere afstanden: vink aan wat je wilt. Maar je moet het vervolgens ook doen.

Om de discipline af te dwingen tikken virtuele coaches je automatisch op de vingers als je niet volgens het afgesproken schema beweegt. De zeurberichten spelen in op het sportieve schuldgevoel: „We missen je.” Of: „Wordt het niet eens tijd om te rennen?”– natuurlijk net tijdens een copieuze lunch met kroketten.

Runkeeper laat je boodschappen sturen naar vrienden die te lang op hun gat blijven zitten. Ga eens rennen, joh! Ook de echte fitnessleraar bemoeit zich er tegenaan: Amerikaanse sportscholen volgen de activiteiten van hun leden op afstand en sturen berichten als de activiteitenmeter te lang stilstaat.

6. Lol valt niet te meten

Every mile tells a story of muscles wanting to quit and minds refusing to listen: de promotievideo van Strava schetst een heroïsch beeld van de serieuze sporter. Just do it, de slogan van Nike, volstaat niet meer. Het motto is nu prove it – lever het bewijs van je inspanningen. Doelen stellen, discipline tonen, vooruitgang meten en de glorie delen met anderen. En achteraf door gedetailleerde grafieken bladeren, terugdenken aan al die liters zweet die je onderweg vergoot.

Dat is gezond, ongetwijfeld, en wellicht leeft een datasporter langer. Maar in de wereld van wearable tech telt doelloos sporten – gewoon, voor de lol – niet meer mee. Je prestaties vastleggen is net zo verslavend als een runner’s high of endorfinekickhetzelfde. Een Strava-amateur biecht op dat hij niet meer zonder digitale doping kan: „Als ik een rit niet vastleg met mijn smartphone, heb ik het gevoel dat ik voor niets gefietst heb.”

Sensoren meten niet hoeveel plezier je onderweg had. Geen app die registreert hoe die geschrokken haas voor je uit sprint en in de berm verdwijnt. Hoeveel muggen je moet happen als je langs dat ene slootje fietst, of hoe het tijdens het joggen ruikt als het gras net gemaaid is. Weten hoeveel calorieën je verbrandt is één ding. Maar hoeveel energie krijg je eigenlijk van anderhalf uur wielrennen, net voor zonsondergang, windstil en afgerond met een groot glas witbier?