Verslaggever met de tekenpen

Tekenaar Cees Bantzinger behoorde halverwege de twintigste eeuw tot de bekendste illustratoren van kranten en weekbladen. Ter ere van zijn honderdste geboortedag organiseren het Persmuseum en Museum Jan van der Togt een dubbeltentoonstelling.

Schetsen van de hand van Bantzinger

Op al zijn zelfportretten heeft Cees Bantzinger grote ogen. Te groot eigenlijk, voor een man die het realisme aanhing. Maar er valt iets opzettelijks, misschien zelfs iets thematisch achter die grote ogen te vermoeden. Hij zal het niet per ongeluk hebben gedaan. Hij noemde zichzelf niet voor niets „een kijkmens” en hij zei ook eens dat hij „kijkogen” had. Waarmee hij veel moet hebben gezien, zo veel dat hij zijn leven lang niet uitgetekend raakte.

Cees Bantzinger (1914-1985) beoefende een vak dat niet meer bestaat. Hij was ruim dertig jaar lang als reportagetekenaar verbonden aan het weekblad Elsevier. Toen de journalistiek na 1945 de wereld ging verkennen, was de druktechniek van de kranten en de op krantenpapier gedrukte weekbladen nog te pover om de betere fotografie tot haar recht te doen komen. Liever stuurde men met de verslaggever een tekenaar mee op reis; dat verleende cachet aan zo’n reportage. En de tekenaars wisten precies hoe hun lijntjes en hun penseelvegen moesten zijn om in de krant niets van hun sfeervolle zwier te verliezen. Ze tekenden steden, landschappen, bekendheden, gewone mensen in exotische oorden en de puinhopen in gebieden die waren getroffen door een nieuwswaardige ramp. In dat specialisme – soms illustratief, soms in impressies los van de tekst – was Bantzinger één van de besten van het land.

Hij had een tekenopleiding en enkele praktijkjaren als vrij kunstenaar achter de rug. Maar met weinig financieel succes. „Ik verdom het om m’n leven lang ’n arme sodemieter te blijven”, schreef hij aan zijn vader. Het blad Elsevier was rijk en nam Cees Bantzinger in 1948 graag in dienst, hoewel daar toen ook de gerenommeerde tekenaars Eppo Doeve en Jo Spier al werkten. Elk had zijn eigen stijl, waarbij Bantzinger vooral bleek uit te blinken in de vaart en de energie die hij zijn prenten kon geven. Hij maakte razendsnelle schetsen, die na thuiskomst als geheugensteun konden dienen voor de definitieve tekening. Maar vaak waren die ter plekke vervaardigde schetsen al meteen zo raak, en zo levendig, dat ze zó in de krant konden. Het is een doortastende manier van afbeelden die in één keer goed moet zijn. Eindeloos prutsen en verbeteren heeft geen zin – daar wordt het resultaat alleen maar slechter, onbeholpener van. Als het niet in één keer goed was, gooide Bantzinger het bij voorkeur weg. Dan begon hij opnieuw, op een blanco vel papier.

Het leek zo makkelijk, vooral als de tekenaar veel had weggelaten. Als iemand vroeg hoe lang hij nou over z’n simpel ogend schetsje had gedaan, antwoordde hij: „Mijn hele leven.”

Bantzinger moet, zo blijkt uit de aan hem gewijde tentoonstellingen die sinds gisteren in Amstelveen en Amsterdam te zien zijn, het soort tekenaar zijn dat nooit niet tekende. Daarvan getuigt het vele vrije werk dat hij eveneens naliet – met een voorkeur voor vrouwelijke naakten, soms in schilderachtige academiestijl, maar vaker in wulpse lijnen die het oog van een liefhebber verraden. Eén omhelzing mag zelfs spectaculair heten: alsof die in één doorgaande lijn is getekend zonder dat de pen ook maar één moment los van het papier kwam.

In het begin van de oorlog was Bantzinger kortstondig NSB-lid. Uit geldnood, blijkens een bedelbriefje aan de autoriteiten: „Mijn laatste opgespaarde geld is op en ik weet geen uitweg meer.”

Al een half jaar later zegde hij zijn lidmaatschap op en sloot zich aan bij een clandestiene uitgeverij. Zijn (Joodse) vrouw en dochter heeft hij nadien nooit iets over deze misstap verteld. Maar in 1985 kreeg hij te horen dat dit feit zou worden onthuld in een boek over collaboratie in de kunsten, waarna hij zelfmoord pleegde.

Wat precies de reden was dat hij een einde aan zijn leven maakte, stond in zijn afscheidsbrief niet te lezen. „We begrepen er niets van”, schrijft zijn dochter Anne-Rose Bantzinger in een biografische schets in een bijbehorende Elsevier-uitgave. Vaak als sindsdien de naam Bantzinger viel, ging het vooral over deze pijnlijke episode.

Goed dus om nu weer eens naar zijn werk te kijken. Naar het veelzijdige vakmanschap van een verslaggever met de tekenpen, die zijn lezers liet zien hoe de wereld eruit zag en hoe veel er overal te beleven viel. Als je maar kijkogen had.