Srebrenica: wie gaf de krant nu eigenlijk de schuld?

De soldaat hoeft zich niet schuldig te voelen. Meldde de krant donderdag, boven een van de stukken naar aanleiding van de jongste gerechtelijke uitspraak over de „zwarte bladzijde” Srebrenica. De Haagse rechtbank had een dag eerder gevonnist dat Nederland verantwoordelijk is voor de dood, in juli 1995, van zeker 320 mannen die direct onder toezicht stonden van het Nederlandse VN-bataljon.

Dus hoezo niet schuldig? Die kop was een weergave van de mening van enkele militairen. De krant zelf oordeelde dat het vonnis „pijnlijk” was, maar juridisch niet echt nieuw: al eerder werd Nederland verantwoordelijk gesteld voor de moord op drie Bosnische medewerkers van Dutchbat, die van de compound in Potocari waren gestuurd.

Het is het voorlopig laatste in een lange reeks commentaren over het „debacle”, „drama”, „syndroom”, „fiasco”, de „ramp”, en „tragedie” Srebrenica.

Daarin is een geleidelijke verschuiving te zien van een politiek-strategisch perspectief naar een, door het nieuws gedwongen, meer morele en juridische beoordeling van Nederland.

De positie van NRC Handelsblad over de missie naar Srebrenica was aanvankelijk, in 1992, sceptisch. In lijn met de traditie van de krant, die meer nadruk legde op rationele afwegingen en Verantwortungsethik dan op goede bedoelingen. En de rede dicteerde: niet gaan (Twee burgeroorlogen, 16 juni 1992). Want: „De conclusie luidt dat de buitenwereld conflicten zoals in ex-Joegoslavië niet kan beïnvloeden, behalve door de strijdende partijen gelegenheid te bieden tot overleg en door humanitaire hulp. Verder is de buitenwereld – helaas – machteloos.”

Alsof het over Syrië anno 2014 gaat.

Maar nog geen twee maanden later – het NIOD noteerde het in zijn latere rapport over Srebrenica en de media – maakte de krant een forse draai: gaan! Want: „Het ontbreekt de internationale gemeenschap aan verbeeldingskracht.” Een analyse van kansen en risico’s is mooi, maar daarin „ontbreekt het existentieel gegeven dat vooral democratische staten aangaat, de Europese in het bijzonder omdat deze nieuwe ernstige schending van volken- en mensenrecht zich in Europa voordoet.” Titel van dat commentaar: Ingrijpen noodzakelijk (5 augustus 1992).

Alsof het, nou ja, over Syrië anno 2014 gaat – waarbij deze krant pleitte voor een militaire interventie.

Behalve de publieke opinie zal zeker ook discussie en druk op de redactie een rol hebben gespeeld in die draai.

Toen de missie drie jaar later op een debacle was uitgelopen, keerde de krant terug naar de meer prudente lijn: „Zo toont het verloop van de gebeurtenissen in Bosnië dat de volkerenorganisatie niet opgewassen is tegen de taak om in een verscheurd land de vrede te herstellen. Oorlogvoeren is een ernstige zaak.’’ (De schijn van veiligheid, 12 juli 1995).

Maar wiens schuld was het nu? En viel Dutchbat iets te verwijten?

Na de terugkeer van Dutchbat brak daarover een verwoed debat los in de krant. Verslaggevers rapporteerden dat de Dutchbatters „veel meer van de slachting” hadden gezien dan bekend was.

Het commentaar kastijdde de militairen in de nasleep herhaaldelijk om hun „passiviteit”, maar stelde ook keer op keer vast dat de schuld voor de misdaad toch echt bij de daders lag, en de verantwoordelijkheid voor het mislukken van de missie bij de „hogere niveaus” van VN en militaire commandostructuren.

Het onderzoek van de VN pleitte Dutchbat zelfs „grotendeels vrij”, aldus de krant in november 1999, de „primaire verantwoordelijkheid” lag bij de VN zelf. En bij de herdenking in 2000: „Wie de slag verloren heeft, heeft niets meer in te brengen.” De samenhang in het bataljon was zoek, en „de leiding inspireerde niet tot een last stand”. Bij de herdenking in 2005: „De Nederlandse militairen die erbij stonden, horen niet voor een tribunaal.” En: „Niet Nederlanders hebben de moord [..] op hun geweten.”

En al was de krant niet gelukkig met het insigne dat Dutchbat-leden in 2006 werd verleend, het falen mocht „niet op de militairen worden afgewenteld”. Of zij „naar eer en geweten hadden gehandeld” (zoals Defensie stelde) was volgens de krant „een morele vraag” voor het individuele geweten.

Dat accent verschuift wel. Een nieuw moment komt in 2010, als door nabestaanden aangifte is gedaan tegen overste Karremans. Dan zegt ook de krant, in navolging van het Joegoslavië Tribunaal, dat er zoiets bestaat als aansprakelijkheid van leidinggevende militairen. Genocide is immers een woord „met morele én juridische lading”. En de krant zegt dat het tijd wordt „spijt” te betuigen.

De toon van dat commentaar (Eindeloos Srebrenica, 7 juli 2010) is veel harder, en meer gericht op moraliteit dan op diplomatieke of internationale contexten. Tot dan toe was het gedrag van Dutchbat in de commentaren hooguit gekwalificeerd als „weinig heroïsch”. Maar nu lezen we over „angsthazerij” en een Dutchbat dat de enclave verliet „met de staart tussen de benen”, terwijl ze „wisten wat er kon gebeuren als ze de moslimmannen overlieten aan de ‘slagers’.”

Die nieuwe lijn wordt versterkt door de uitspraak van het Haagse gerechtshof in 2011 in het voordeel van nabestaanden van drie vermoorde mannen – een tolk en diens broer, en een elektricien – die werkten voor Dutchbat maar van de compound waren gestuurd. Het gaat dan uitdrukkelijk om de aansprakelijkheid van de staat, als verantwoordelijke, niet van individuele militairen.

Twee jaar later, als dat vonnis is bekrachtigd door de Hoge Raad, klinkt in het commentaar opnieuw de herhaling dat de schuld voor het drama „volledig” bij de Bosnische Serviërs ligt. Maar het stelt ook vast dat het „een Nederlands besluit” was de drie mannen weg te sturen. Nederland moet nu ook „haast maken met het ruiterlijk uitspreken van excuses” aan de nabestaanden van de drie.

Die zijn er nooit gekomen.

Voor een „tribunaal” hoeven de soldaten niet, aldus de krant. Maar de aansprakelijkheid van de staat, die is nu zeker onder ogen gezien.

Reacties: ombudsman@nrc.nl