Rechercheur met een passie voor scheldwoorden

Er verschijnt niet vaak een boek waaraan iemand vijfenveertig jaar heeft gewerkt, luidde in 1999 de eerste zin van een recensie in NRC Handelsblad. Besproken werd het Groot Schimpnamenboek van Nederland, door Dirk van der Heide. Schimpnamen, of locofaulismen, zijn bijnamen voor inwoners van een stad of dorp waar een verhaal achter zit. Om die verhalen te vinden, raadpleegde de Groningse oud-politieman Van der Heide decennialang heemkundeverenigingen, archieven, dialectatlassen en particulieren. Vorige week overleed hij, 78 jaar oud.

In zijn boek is vastgelegd waarom inwoners van Baflo koarschoevers (kruiwagenduwers) genoemd worden en die van Eenrum ‘doodstekers’: Ooit bespotten de Bafloërs de kerk in Eenrum door een houten versie van het bouwwerk op een kruiwagen naar Eenrum te rijden. De Eenrumers werden zo woest dat zij de kruiwagenduwer doodstaken. Zulke verhalen zijn er ook over kielschieters (Rotterdammers), stoepenschijters (Amsterdammers), kruikenzeikers (Tilburgers). Van der Heide was dé hoeder van dit verdwijnend cultuurgoed – er komen geen nieuwe schimpnamen meer bij. „De gemeenschappen zijn opgebroken, de hele wereld is meer ikkerig geworden”, zei hij eens tegen de Volkskrant.

Zelf was hij geboren in het arme Friese dorp Harkema (‘stinkers’). Zijn vader was kapper en schoenmaker. Vanaf zijn negende mocht Dirk ’s zaterdags staand op een stoof de scheerklanten inzepen, die hem voedden met verhalen. De liefde voor taal deelde hij met zijn moeder, die schriften vol uitspraken en spreekwoorden verzamelde.

In 1958 kwam hij van de politieschool, om eerst dorpsagent te worden en daarna 28 jaar rechercheur bij de Rijkspolitie in Groningen. „Hij was een rechercheur van de oude stempel”, zegt zijn uitgever Martin Scholma. „Een fan van de methode-Baantjer. Zaken oplossen door te praten met mensen in de omgeving.” In de provotijd was hij een jaar gedetacheerd in Amsterdam. Hij moest terug, vertelde hij in de Volkskrant, toen hij tijdens rellen iemand die hem uitschold een mep had verkocht.

In zijn vrije tijd en na zijn pensionering verzamelde Van der Heide behalve oude woorden ook oude voorwerpen. Dat liep uit op een ‘museum voor landbouw en ambachten’ en een tentoonstelling over zanger Ede Staal. Hij publiceerde verder bundels met moppen en droge verhalen in het Gronings. In Grode Derk roakt nait oetproat draagt een oude vrouw haar familie op haar as uit te strooien bij de Aldi. „Dan komen jullie tenminste nog eens bij mij langs.”