Oorlogen blijven. Ze gaan alleen niet meer over grondgebied, maar over oud zeer

Deze zomer behandelt de wetenschapsredactie Grote Vragen die lezers bezighouden. De Grote Zomervraag dit weekend is: blijft de mens altijd oorlog voeren?

Illustratie roland blokhuizen

Deze week is het oorlog op drie fronten. Pro-Russische separatisten bestoken het Oekraïense leger met raketten en halen – waarschijnlijk – een passagiersvliegtuig neer; jihadisten van ISIS rukken op in Irak en Israëlische tanks trekken Gaza binnen. Houdt het dan nooit op?

Eerst een relativering. Het heden mag dan gewelddadig zijn, het verleden was nog veel erger.

Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw dachten archeologen en prehistorici, in navolging van de 18de-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau, dat oorlogvoering pas begon met het ontstaan van steden en staten, en dat de prehistorische mens relatief vreedzaam was.

Vergeet die ‘edele wilde’. Het percentage gewelddadige sterfgevallen in samenlevingen die nog geen landbouw of staat kenden was veel hoger dan in moderne maatschappijen. Alleen de twee wereldoorlogen komen in de buurt. Recent archeologisch onderzoek aan wapens, resten van versterkingen en menselijk gebeente heeft veel nieuwe informatie opgeleverd over geweld in de Europese en Amerikaanse prehistorie. Intussen zijn de meeste onderzoekers het erover eens dat in deze samenlevingen liefst 25 procent van de volwassen mannen door geweld aan zijn eind kwam.

Homo sapiens is vanouds uit op jachtgronden, vrouwen en status. Om die te krijgen kan hij samenwerken, concurreren of geweld gebruiken, afhankelijk van de omstandigheden. Geweld is geen primaire drang die moet worden bevredigd, zoals het verlangen naar voedsel en seks. Geweld is een middel om doelen te bereiken. Geweld is een gevaarlijk middel, waar alleen naar wordt gegrepen als vreedzamere middelen falen of te kostbaar zijn en als de kansen op succes goed lijken.

Geweld wordt oorlog als het in groepsverband wordt bedreven. Zolang de moderne mens een jager en verzamelaar was, werd collectief geweld uitgeoefend op kleine schaal, in de vorm van gewapende overvallen van de ene zwerfgroep op de andere.

Met de overgang naar landbouw ontstonden enorm grote verschillen in welstand en status, en uiteindelijk, in de gewelddadige competitie van rivaliserende elites, staten. Van precolumbiaans Midden-Amerika tot vroegmodern Europa, staatsvorming ging steeds gepaard met oorlog om grondgebied. Hoe groter het grondgebied, hoe meer volk, voedsel en belastingen.

Door staatsvorming groeide het kleinschalige geweld van jagers en verzamelaars uit tot grootschalig geweld. Groepjes verwanten maakten plaats voor ordelijke strijdformaties met een hiërarchische commandostructuur. De verrassingsoverval op een rivaliserende groep had afgedaan; oorlog verliep voortaan via belegering en veldslagen.

Oorlogvoering door staten zorgde voor een enorme schaalvergroting; toch daalden de sterftecijfers als gevolg van dit massale geweld. Burgerbevolkingen stonden namelijk minder bloot aan gevechtshandelingen en de deelname van volwassen mannen in de strijdkrachten daalde in vergelijking met tribale samenlevingen. Legers, oorlogen en veldslagen namen absoluut in omvang toe, maar ze werden kleiner in verhouding tot de bevolking als geheel.

Sinds de tweede helft van de 20ste eeuw zien we veel minder oorlogen tussen staten. Economisch ontwikkelde samenlevingen zijn veel minder geneigd elkaar te beoorlogen, omdat vrede winstgevender is geworden. De toegenomen onderlinge afhankelijkheid van staten maakt dat het verlies van de één ook dat van de ander is. En er is ook geen verband meer tussen rijkdom en territorium; verovering is niet langer een voorwaarde om van een gebied te kunnen profiteren.

Verder is het aantal democratieën in de wereld toegenomen en die, leert de ervaring, zijn het minst oorlogszuchtig. Zij voeren niet langer oorlog met elkaar, alleen met niet-democratieën en niet-statelijke bewegingen. Als het individuele streven naar geluk van burgers belangrijker wordt dan groepswaarden, zijn ze ook minder bereid hun leven te offeren in een oorlog. Vreedzame beslechting van geschillen tussen staten heeft verreweg de voorkeur en oorlogvoering wordt onderworpen aan steeds meer wettelijke en normatieve beperkingen (lawfare).

Als gebiedsverovering zijn betekenis heeft verloren en de kosten van gewelddadige competitie om hulpbronnen niet langer opwegen tegen de baten, welk nuttig doel dient oorlog dan nog?

Niet alle acteurs op het wereldtoneel laten zich leiden door economische calculaties. De oorlogen van nu gaan veelal over oud zeer, zoals gekrenkte etnische, nationale en religieuze gevoelens. Het zijn asymmetrische conflicten tussen reguliere strijdkrachten aan de ene (Oekraïne, Israël, Irak) en ongeregelde milities en guerrilla’s aan de andere kant (‘Volksrepubliek Donetsk’, Hamas, ISIS).

Een van de vele asymmetrieën van deze nieuwe oorlogen is het verschil in spelregels. Opstandelingen vinden alles geoorloofd in de strijd tegen de (al of niet ongelovige) machthebber of indringer, terwijl een volkenrechtelijk gemandateerde troepenmacht zich heeft te houden aan de Conventie van Genève en aan de afgesproken rules of engagement.

Oorlogen in de vertrouwde vorm worden zeldzamer, maar de nieuwe oorlogen zijn niet minder venijnig. Zolang het vele oude zeer niet is geheeld, zal de wereldvrede niet uitbreken.