Nederlandse teams in Oekraïne

Identificatieteam probeert met Onderzoeksraad voor Veiligheid op rampplek te komen.

Een bos bloemen op wrakstukken van de gecrashte Boeing 777 van Malaysia Airlines, vlakbij het dorpje Rozsypne in het oosten van Oekraïne.

Minister Frans Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) is vrijdagavond in Oekraïne aangekomen, samen met specialisten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO). Op uitnodiging van hun Oekraïense collega’s, die volgens internationale regelgeving de leiding hebben over het onderzoek, zullen de Nederlandse onderzoekers meedoen aan het internationale onderzoek naar de crash van vlucht MH17. Beide teams hebben ervaring met vliegtuigrampen in onder meer Libië (Tripoli) en op Schiphol.

Timmermans wil persoonlijk bekijken of de onderzoekers ongehinderd hun werk kunnen doen. Vrijdagmiddag werden medewerkers van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) gehinderd toen ze bij het gecrashte toestel wilden kijken.

„We hebben overlegd met de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie”, zegt Tjibbe Joustra, voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, „Maar het slechtste wat je nu kunt doen, is géén onderzoek beginnen. Er lopen nu al tal van mensen over de plaats delict. Dat kan gevolgen hebben voor het onderzoek. Als het veilig is, moeten we daarom zo snel mogelijk beginnen.”

Zodra het kan, zullen de Nederlandse onderzoekers naar de plek van de ramp gaan in de regio Donetsk. Daar onderzoeken ze de sporen van de crash. Waar liggen de brokstukken? Zijn er sleepsporen? Als die er zijn zou dat erop kunnen duiden dat er geprobeerd is een noodlanding te maken. Verder gaan ze op zoek naar de zwarte doos, als die nog niet is gevonden, en horen ze getuigen van de crash.

Het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO) werkt mee aan het identificeren van de slachtoffers. Ook zullen zij de lichaamsresten van de slachtoffers bergen. Die brengen ze naar een mortuarium waar ze de stoffelijke resten grondig onderzoeken. Als het LFTO in een omgeving werkt zonder een goed mortuarium en zonder onderzoeksfaciliteiten, dan neemt het zijn eigen mobiele mortuarium mee. Dat werd ook gebruikt in de jungle van Suriname toen ze in 2007 onderzoek deden naar lichamen van slachtoffers van de vliegramp daar in 1989.

„We kijken naar het gebit, vingerafdrukken en DNA. Dat zijn allemaal zaken waardoor een slachtoffer kan worden geïdentificeerd. Verder maken we een uitgebreide lichaamsbeschrijving: we kijken of er bijvoorbeeld tatoeages zijn, of littekens van operaties”, vertelt Noud Schuuring, sinds 2008 projectleider bij het LTFO (voorheen het Rampen Identificatie Team) van de landelijke politie.

Als de specialisten een idee hebben wie de slachtoffers kunnen zijn, zoeken ze contact met nabestaanden. „We vragen hen naar kenmerken aan de hand waarvan we de identiteit van een persoon kunnen vaststellen. Dat kan soms gaan om details, zoals de kleur nagellak die iemand gebruikt.”

Als een lichaam door de ramp in kleine stukken uiteen gevallen is, zijn gebitsgegevens niet genoeg om alle resten te kunnen identificeren, vertelt projectleider Schuuring. „Dan zijn we aangewezen op DNA. We verzamelen alle lichaamsonderdelen op een plaats delict en testen net zo lang tot vaststaat wat bij welke persoon hoorde. Dat is belangrijk. Je wilt zeker zijn dat de familieleden de juiste stoffelijke resten krijgt. Zulk onderzoek duurt lang, maar die tijd moeten we nemen om ons werk goed te kunnen doen.”

Dit is belastend werk, zegt Schuuring. „Maar daar staat tegenover dat je wel iets kunt betekenen voor de nabestaanden. Als wij de bevestiging brengen dat ze iemand verloren hebben, is dat natuurlijk een grote klap. Maar ze zijn ons vaak ook dankbaar voor het feit dat we het lichaam terugbrengen. Dat geeft rust. Wat wij voor die mensen kunnen doen, weegt voor mij wel op tegen de nare beelden die ik zie op de plaats delict. Die probeer ik een plekje te geven in mijn hoofd.”