Natuurkunde – dat is tochniks voor een vrouw

Nederland is een ‘achterlijk’ land wat betreft het aantal hooggeplaatste bètavrouwen.Margriet van der Heijden ontleedt de machocultuur van de exacte vakgebieden.

Illustratie Jenna Arts

‘Het liefste wil ik verder met natuurkunde, maar heeft een vrouw in dat vak echt kans op een wetenschappelijke carrière?”, vroeg een student onlangs. „Waarschijnlijk is dit meer iets voor mannen”, verzuchtten twee andere studenten tijdens een natuurkundeproject. Om daarna de hoogste cijfers van de groep te behalen.

Onlangs heb ik mijn baan als wetenschapsjournalist (deels) verruild voor een baan als docent aan het Amsterdam University College. Van de internationale studenten die hier voor de bètarichting kiezen, is ongeveer 60 procent vrouw. En het gros daarvan is regelmatig onzeker over hun toekomstmogelijkheden.

Wat moet ik tegen hen zeggen? Moet ik vertellen over mijn eigen ervaringen? Op de middelbare school raadde mijn natuurkundedocent mij af een bètaprofiel te kiezen. Toen ik jaren later promoveerde op ‘de quarkstructuur van protonen en deuteronen’ die ik had onderzocht bij de Europese Organisatie voor Nucleair Onderzoek (CERN) in Genève zat hij in het publiek. Na afloop zei hij: „Zo’n advies geef ik nooit meer.” Sportief.

‘Je hebt kinderen’

Toen ik op een postdocpositie solliciteerde, kreeg ik te horen dat ik „jammer genoeg gehandicapt was”. De toelichting: „Je hebt kinderen.”

Het is al vaker gezegd: Nederland behoort samen met Luxemburg, Cyprus en België tot de landen met het geringste aantal vrouwelijke hoogleraren. De situatie is het slechtst bij natuurkunde en techniek. Van de stijging die zich bij andere disciplines aftekent, is hier ternauwernood sprake.

Misschien zucht je nu. Er zijn toch al genoeg fraaie plannen en grootse woorden gewijd aan de ‘lekkende pijplijn’, zoals de uitval van vrouwen onderweg naar traditioneel mannelijke, hogere posities wordt genoemd?

Afgelopen maand kwam de Nederlandse vertaling van het boek In Einsteins achtertuin van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Amanda Gefter uit. Daarin vertelt ze hoe ze zich, als garderobejuffrouw in de trendy New Yorkse nachtclub van haar broer, verdiepte in de theoretische natuurkunde. De achterflap van het boek en het promotiemateriaal van de uitgever tonen een langbenige en meisjesachtige vrouw in een zomerjurk. Nobelprijswinnaars uit de fysica en andere hot shots, vrijwel uitsluitend mannen, deelden graag hun inzichten met haar, zo blijkt, en ze kwamen al even graag haar boek promoten in de New Yorkse nachtclub.

Het boek is niet alleen slim in de markt gezet, maar ook vlot geschreven. Het leest als een stripverhaal waarin een slimme en aanvankelijk onwetende vrouw met veel oh’s en ah’s weergeeft hoe de oude mannelijke druïden in hun wiskundige kookpot roeren en ‘multiversa’ tevoorschijn toveren. Dat is ook precies wat er wringt.

Hippe, vrouwelijke promovendi

De eerbiedige toon waarmee al deze grote namen worden geciteerd en beschreven, kan irriteren, schreef een recensent van het Britse tijdschrift Nature. Die toon sluit ook uitstekend aan bij de Nederlandse situatie, waar – meer nog dan elders – vrouwelijke natuurkundigen hooguit hippe promovendi zijn, en daarna dus meestal niets. Werd het boek daarom zo stralend Nederland binnengehaald?

In Einsteins achtertuin gaat voorbij aan veel zaken waaraan mensen graag voorbij gaan. Wie behoort tot de probleemloze groep, wit en conform het stereotiep, is zich zelden bewust van de eigen privileges. Die wil niet geloven hoe frustrerend die stereotiepen zijn die iedereen, man én vrouw, in zijn hoofd heeft. Ik vertel mijn slimme en bevlogen studenten er evenmin graag over, maar kan ook nu putten uit eigen ervaring.

Neem, en het is zomaar een greep, de redactiechef die een bètaverhaal bij een freelancer bestelde. „Nu geen details aan mij geven hoor”, zei ze door de telefoon. „Ik ben een vrouw, weet je wel.”

Ik zat erbij, toen en al die andere keren, met mijn bètakennis, en ik lachte. Het was toch onschuldig? Of niet? Want het demotiveert om keer op keer, jaar na jaar, zulke prikjes te krijgen. Die je laten voelen dat je afwijkt. Dat je voor spek en bonen meedoet.

„Kom kom”, zei een mannelijke collega-journalist over mijn ervaringen. „Mannen hebben het ook niet makkelijk.”

Die Gefter is slim, zeiden weer anderen. Meebuigen werkt beter dan je kop in de wind gooien. Moet ik mijn studenten dat dus adviseren? Of zal ik ze voor de zekerheid vertellen dat een wetenschappelijk artikel met een vrouwennaam erboven steevast slechter wordt beoordeeld dan hetzelfde artikel met een mannennaam erboven? En ja, het gaat hier om onderzoek, waarbij steeds hetzelfde artikel werd voorgelegd aan mannen én vrouwen.

Vorige week werd ik uitgenodigd voor een symposium over een kosmologisch onderwerp, georganiseerd door een Amsterdams natuurkunde-instituut. En inderdaad, zonder vrouwelijke hoogleraren. Ik dacht dat ik werd gevraagd in mijn hoedanigheid van capabel journalist.

Of niet? „We wilden eigenlijk geen journalisten vragen, maar hadden te weinig vrouwen aan tafel – alleen de echtgenote van een van de sprekers”, vertelde de (vrouwelijke) voorlichter mij bij binnenkomst. Nee, het was niet slecht bedoeld, maar ik werd toch fijntjes op mijn plaats gezet.

Kalmeer, zegt je misschien. Vrouwen zijn simpelweg ongeschikt voor deze disciplines – het zijn de hersenen. Kijk dan vooral eens naar een filmfragment van een Amerikaanse publieksbijeenkomst over natuurkunde. Daarin stelt een grijze heer de zogenoemde ‘Larry Summers-vraag’ over „chicks in science” (zijn woorden).

Larry Summers was de president van Harvard University, die ooit stelde dat vrouwen biologisch gezien minder geschikt zijn voor bètavakken. Sommige van mijn Nederlandse gesprekspartners schuiven hem nog steeds naar voren.

‘Al m’n hele leven zwart’

„Ik ben nooit vrouw geweest”, antwoordde de bekende astronoom Neil Degrasse Tyson, „maar ik ben wel al mijn hele leven zwart.” En hij vertelde wat leraren – „en de rest van de wereld met hen” – zeiden nadat hij als negenjarig jongetje had besloten dat hij natuur- en sterrenkunde wilde studeren. „Wil je dan geen atleet worden?” Dan kun je de biologie toch moeilijk de schuld geven.

Vooral: uit zo’n situatie is het moeilijk meedoen in de competitieve natuurkunde. Wil je daarin verder komen, dan moet je lef hebben. „Moet je je intuïtie durven volgen”, zeggen mannelijke toppers graag. Dat lukt slecht als je op je plaats wordt gezet. Daarvan ga je op eieren lopen, ben je meer bezig met fouten vermijden dan met het doordenken van eigen ideeën. Maar dat vertel ik mijn enthousiaste studenten liever niet.

Wat moet ik dan zeggen?

Misschien moeten natuurkunde-instituten een keurmerk krijgen, te beginnen in Nederland. Daarop staan dan de aantallen werkzame vrouwelijke hoogleraren en universitair hoofddocenten. Wellicht ook moeten die opleidingen worden gerecenseerd, zoals restaurants worden beoordeeld op de website Iens en boeken op Amazon.

Dat maakt de zaken helder. Bespreekbaar. Bovendien zouden aanstaande masterstudenten in de natuurkunde dan weloverwogen kunnen kiezen voor het instituut dat de beste kansen geeft op een open sfeer. Misschien ook valt die keuze samen met een enkel advies: vertrek als getalenteerde vrouw maar (weer) naar het buitenland. Sommige studenten doen dat al – met veel succes.