Het griezelkabinet van Kim-il-etc.

Noord-Koreanen zwaaien met gekleurde kaarten die samen de Noord-Koreaanse vlag vormen tijdens een massabijeenkomst in 2012 in hoofdstad Pyongyang. Foto AP

Voor het comfort, het lekkere eten of het ongedwongen contact met de lokale bevolking hoef je het niet te doen. Maar wie zich tot de wereld van het absurde voelt aangetrokken, kan geen betere bestemming kiezen dan Noord-Korea.

José Luis Peixoto, een gevierde, jonge Portugese schrijver van romans en dichtbundels, hoort tot de laatste categorie. In het voorjaar van 2012 reisde hij twee weken met een groep buitenlanders door Noord-Korea, net in de periode dat het totalitair bestuurde land de honderdste verjaardag herdacht van de vader des vaderlands, Kim Il-sung. Hij legde zijn belevenissen vast in het elegante en zeer leesbare Achter gesloten grenzen. Daarmee schond hij de belofte aan de Noord-Koreanen die hij bij aankomst had moeten doen, dat hij naderhand niets over zijn reis zou publiceren.

Gelukkig maar, want er is toch al zo weinig informatie uit de eerste hand vanuit het afgesloten land. Niet dat Peixoto vrijelijk kon reizen. Voortdurend liep hij aan de leiband van gidsen die hun uiterste best deden een fraaie façade op te trekken. Peixoto’s reisverslag is nu eens vermakelijk, dan weer beklemmend. Van de ‘luxehotels’, waar hij grof bruin wc-papier en ontbijt met boter en jam uit kuipjes met lang verlopen uiterste verkoopdata krijgt aangeboden, tot een bezoek aan het Museum van de Amerikaanse Wreedheden.

Amusant zijn ook de momenten waarop de façade wordt doorgeprikt, zoals bij een bezoek aan de staalfabriek van Chollima. Daar werkten volgens de overlevering arbeiders zo onwaarschijnlijk hard dat alle toch al ambitieuze productiedoelstellingen aan flarden gingen. Maar toen de buitenlandse bezoekers in dit industriële walhalla naar een vertrekje werden geloodst waar het ‘laboratorium’ zou zijn gevestigd, zag Peixoto onmiddellijk dat hier een onhandig toneelstukje werd opgevoerd. Er stond een onduidelijk apparaat waarvan de stekker niet in het stopcontact zat en een weegschaal met gewichtjes. Een vrouw klunsde wat met een fles waaruit ze een wit goedje oplepelde. ‘In één woord: belachelijk’, schrijft Peixoto.

Ook de grenzeloze verering voor de drie Kims – Kim Il-sung, zoon Kim Jong-il en kleinzoon Kim Jong-un – en hun heldendaden werkt op de lachspieren. Kim Jong-il bij voorbeeld, die op de meeste foto’s verre van atletisch oogt, ontpopte zich als een golfwonder. Hoewel hij nog nooit golf had gespeeld, wilde hij het na de opening van de eerste golfbaan in Pyongyang wel eens proberen. En wat gebeurde er? De grote leider sloeg maar liefst elf hole-in-ones achter elkaar. Na deze uitzonderlijke prestatie, helaas slechts gadegeslagen door enkele lijfwachten en vertrouwelingen, had de grote leider er genoeg van. Nooit raakte hij meer een golfstick aan.

Op zijn reis belandt Peixoto ook op een bloemententoonstelling. Een nieuw absurdistisch hoogtepunt. Het bleek te gaan om de veertiende editie van het Festival van de Kimilsungia’s, een plantensoort die volgens de Noord-Koreanen door de Indonesische president Soekarno naar Kim Il-sung was genoemd. De enige andere bloemen die aanwezig waren, u raadt het al, waren Kimjongilia’s.

Maar hoe goed Peixoto ook zijn best doet, echt achter de façade kijken lukt hem niet. Hier en daar vangt hij een glimp op van de diepe armoede, waarin het grootste deel van het land buiten de hoofdstad Pyongyang verkeert. Maar contact met de bevolking krijgt hij vrijwel niet. Laat staan dat hij iets ervaart van de gruwelijke strafkampen waar tienduizenden zonder enige vorm van proces en onder mensonterende omstandigheden zitten opgesloten, vaak tot hun dood.

Na twee weken praatjes voor de vaak te hebben moeten aanhoren, is Peixoto uitgeput en de lezer met hem.

Hofdichter

Om te ontdekken hoe het er achter de schermen aan toegaat, kan de lezer beter terecht bij Jang Jin-sung, die op 28-jarige leeftijd door Kim Jong-il werd uitverkoren tot diens hofdichter. Ruim vier jaar maakte hij deel uit van de Noord-Koreaanse elite. Maar in 2004 moest hij overhaast vluchten, nadat hij in moeilijkheden was geraakt door een geheim buitenlands boek uit te lenen aan een vriend die het liet slingeren in de metro.

Zijn met veel vaart geschreven Dear Leader biedt een uniek inkijkje in zijn leven in Noord-Korea. Een bestaan van enerzijds luxe en anderzijds permanente vrees om uit de gratie te raken. Hoge functionarissen zijn daarvoor niet immuun. Ook zij belanden heel makkelijk in een strafkamp als het belangrijkste orgaan van Kim Jong-il, het Organisatie- en Gids- departement, dat wenselijk acht.

Jang werkte bij een surrealistische propaganda-afdeling, die zich bezighield met het schrijven van teksten en boeken die de indruk moesten wekken dat ze door Zuid-Koreaanse auteurs waren geschreven en in dat land ook waren uitgegeven. Met vanzelfsprekend zeer positief gestemde geluiden over Noord-Korea en zijn heersers. De publicaties waren voor zowel Zuid- als Noord-Korea bestemd.

Bij de voorbereiding van een van zijn lofzangen op Kim Jong-il ontdekte Jang dat Kim zijn vader, die altijd zo oppermachtig leek, via allerlei intriges al jaren voor diens dood tot een figurant had gedegradeerd. Het is een nieuw, prikkelend geluid, maar helaas – zoals zoveel dingen die over Noord-Korea worden geschreven – niet te checken.

Indringend beschrijft Jang Jin-sung, een naam die hij pas na zijn vlucht aannam, hoe diezelfde elite nauwelijks enig idee heeft van wat er in de provincie gebeurt. Daar heersen vaak schrijnende voedseltekorten, merkte hij zelf tijdens een reis naar de provincieplaats Sariwon waar hij was geboren en getogen. De dichter was er getuige van hoe iemand die een zak rijst had gestolen werd geëxecuteerd en hoe een vrouw haar dochtertje uit wanhoop probeerde te verkopen. Het opende zijn ogen: ‘Als onze Opperste Leider zo geweldig was, waarom stierven zijn mensen dan van de honger?’

Hoogste kringen

Jammer is wel dat hij betrekkelijk weinig vertelt over de toestand in Noord-Korea. Zeker de helft van Dear Leader gaat over zijn vlucht naar China, waar hij op het nippertje de Zuid-Koreaanse ambassade in Beijing wist binnen te komen. Die tocht was bloedstollend – een vriend met wie hij was ontsnapt, pleegde zelfmoord nadat hij was gepakt door de Chinese politie. De Chinezen doen er alles aan de Noord-Koreaanse vluchtelingen buiten de deur te houden. Velen die ontsnappen worden teruggezet over de grens, waarna een verblijf in een van de beruchte strafkampen volgt. Vrouwen worden tijdens hun vlucht en in de strafkampen vaak verkracht.

Liever had ik nog meer gelezen over hoe het toegaat in Noord-Korea’s hoogste kringen, omdat daar zo bitter weinig over bekend is. Mogelijk uit angst zijn achtergebleven familie nog verder in moeilijkheden te brengen (over hun lot laat Jang zich niet uit), blijft hij tamelijk summier over de toestand in zijn geboorteland. Zo blijft de lezer achter met het onbevredigende gevoel dat hij even heeft mogen kijken in een griezelkabinet, waarvan de deur net te snel weer dichtging.