Gedicht

Had onschuld nooit een gezicht,

of ben ik vergeten hoe het eruit zag?

Op televisieschermen beginnen rampen

op voorgaande te lijken,

als partners met dezelfde jas.

Mensen liken ‘Ik heb er geen woorden voor’

Rouw vindt ruimte op internet,

omdat stilte daar geen kelen schor krijgt.

Het toetsenbord is niet waterbestendig,

maar de truc is simpel:

houd het op z’n kop,

schud het zout uit de kieren,

bedenk dat het sterren zijn

– geen lichamen.

Toen Wright en zijn broer bleven proberen

en applaudisseerden bij de eerste vlucht,

hadden ze toen kunnen bedenken dat de mens

van zichzelf een stalen engel zou maken,

een compact doelwit om te haten?

De eerste vergelijkingen circuleren al.

Op 11 september 2001 verdween in één klap

0,00094 procent van de Amerikaanse bevolking.

Ons trof ook een cijfer. Personen: 189.

Ik weet alleen dat ik het op televisie zag.

Dat alles brandde

en dat een blauwe lucht,

geen betekenis heeft,

zolang de mens eronder leeft.

Nu zit ik voor een scherm van glas,

de dromen zijn nukkig uit beeld gelopen,

zat van de luie eisen,

een werende hand naar de roependen,

als popsterren die worden gevraagd

om een kunstje voor de camera.

Ik bijt mijn huid taai tot een canvas,

meng een onzichtbare verf van water en zout

zet de eerste vegen

van wat moet worden: een vers gezicht.