Eigen koe eerst

Marcel Blekendaal is polderwachter, de enige van Nederland. Hij wil geen moraalridder zijn. „Duurzaam, duurzaam, wat is nou duurzaam?”

Marcel Blekendaal vertelt als ‘polderwachter’ natuurverhalen. „Als we geen geld meer overhebben voor het onderhoud van de Hollandse Waterlinie, dan ruimen we de boel toch gewoon op?”

De polderwachter – de enige polderwachter van heel Nederland – wil boven op zijn fort lunchen, het C-Fordt bij Maarsseveen, onderdeel van de Hollandse Waterlinie. Daar heeft hij zijn werkplaats en hij maakt net zo lief zelf wat te eten klaar. Vlak voor onze afspraak stuurt hij een sms: of ik vegetariër ben, anders gaat hij naar de slager.

Ik had eigenlijk iets als pannenkoeken verwacht, in de buitenlucht gebakken op een groen geëmailleerd petroleumstel.

De fietsroute langs de Vecht is deels opgebroken, waardoor ik lang door industriegebieden moet dwalen voor ik weer op het juiste pad ben. Dat loopt langs de Maarsseveensevaart de polder in, waar het op dit uur van de dag vergeven is van ouders in auto’s die hun kinderen van school halen. Het regent bijna. Ik had het me wat idyllischer voorgesteld.

Een bord bij het hek waarschuwt voor loslopende geiten. Het pad naar de ingang gaat door zand en hoog opgeschoten onkruid. In het halfduister, waar vroeger de munitieopslagplaats was en het benauwde slaapvertrek van op elkaar gepakte soldaten, staat een kale houten tafel waaraan links voor de kijker de polderwachter zit en rechts twee ambtelijke types met welvaartsbuiken en hippe brillen op de bleke neuzen.

Zegt de één: „... dus zouden we in dit kader graag zien dat dit een fundament krijgt in...”

En de ander: „... waarbij ik een beeld voor ogen heb van een authentieke polder waarin...”

Dan maken ze een foto van de polderwachter, schudden hem de hand en lopen de deur uit, naar het parkeerterrein.

„Duurzame mannen”, zegt de polderwachter peinzend terwijl hij ze nakijkt. „Ze onderzoeken voor de gemeente hoe ze duurzame initiatieven met elkaar kunnen verbinden.” Hij kijkt alsof hij iets smerigs proeft. „Duurzaam, duurzaam, wat is nou duurzaam? Ik stap op mijn fiets, dat is duurzaam.”

Maar dat zal hij niet tegen ze zeggen, wat zou hij de moraalridder uithangen? Je plaatst jezelf buiten de samenleving en mensen luisteren niet meer naar je.

Hij loopt naar de keuken om een blad vol belegde broodjes te halen. Dik ham, dik worst, dik rosbief. We gaan aan die kale houten tafel zitten, want boven op het fort is het nat en koud. Blijmoedig moppert hij over de vaders en moeders die het voor hun kinderen te gevaarlijk vinden om te fietsen – al die auto’s! En de regen! Wat als het regent! „Nou, dan word je nat.” Hij neemt een flinke slok van zijn halfvolle biologische melk.

Mager is hij, tanig, niet door weinig eten, maar door het altijd in beweging zijn. Lopen door het land, springen over sloten, klimmen over wallen en hekken. En intussen aan de schoolklassen die hij meeneemt – vaak zijn het schoolklassen – vertellen over de natuur, die al eeuwen geen natuur meer is, maar een door mensenhanden gecreëerde tijdelijke toestand. „In Nederland”, zegt hij, „zijn we altijd aan het landschap aan het sleutelen. We kunnen het geen tien jaar met rust laten.”

Niet dat hij er een mening over heeft. Nee hoor. Het is zoals het is en hij neemt het zoals het komt. Hij hoeft ook niks – niks schoonmaken, niks beschermen, niks onderhouden – want anders dan je zou denken, is polderwachter geen beroep maar een kunstwerk. Zelfs zijn naam – Marcel Blekendaal (43) – doet er niet meer toe.

Zoals hij daar zit, met zijn warrige krullen, kauwend op zijn derde broodje, doet hij me denken aan de hond uit Meneer de Hond, uit het Gouden Boekje. Die heeft geen baasje, hij is helemaal van zichzelf. De polderwachter is ook van niemand en hoort nergens bij. Niet bij Staatsbosbeheer, niet bij Natuurmonumenten, niet bij de VVV, niet bij de Land- en Tuinbouw Organisatie. Hij krijgt geen subsidie en geen ambtenarensalaris. Hij is zelfstandige zonder personeel, al noemt hij het liever zelfstandige met polsstok. Sinds 2011 is hij voorzitter van de door hemzelf opgerichte Polsstokvereniging Stichtse Vecht, met als doel de jeugd uit Maarssen en omstreken weer te leren slootjespringen.

Hij heeft ‘de polderwachter’ zelf bedacht, twaalf jaar geleden, toen de polder bij Maarssen werd heringericht en de boeren moesten verhuizen. Ambtelijke types vroegen hem, kunstenaar, iets artistieks met de nieuwe natuur te doen. In een ding op een sokkel had hij geen zin, dus kocht hij een paar klompen en een polsstok, en ging verhalen vertellen, ook aan volwassenen die bij wijze van bedrijfsuitje of familiefeest met hem op pad gaan. Zo pratend door het land banjeren is zijn kunstwerk.

Over die keer dat hij het met een boer over De stier van Paulus Potter had. Zegt de boer: „Dat is niet één stier.”

Huh?

„Moet ik het uitleggen?”

Nou?

„Dat zijn vijf stieren.”

Paulus Potter, zegt de polderwachter, is overal gaan kijken en heeft toen op het doek zijn eigen ideale stier geschapen. Over buik en voorpoot lopen, theatraal, een paar grillige witte strepen.

Hij vertelt over het oerrund als grasmaaier, die door natuurbeheerders wordt ingezet om de nieuwe natuur te onderhouden. De gewone Hollandse koe is daar te slap voor, dus werden er runderen uit Schotland en Duitsland geïmporteerd. Ging de PVV bezwaar maken. „Ik ben het niet vaak met de PVV eens”, zegt de polderwachter. „Maar deze keer wel. Eigen koe eerst. Nu is er een heel mooi nieuw Hollands beestje gefokt.” Tevreden noemt hij de naam: Rode Geus.

Het project polderwachter werd een succes, en toen is hij het maar gebleven. Iedereen kan hem tegen betaling boeken en de wandelingen gaan naar keuze door het Land van Zuylen of het Land van Anna Haen, door de Blauwe Meije of langs de groepsschuilplaatsen – geen bunkers, die zijn uit de Tweede Wereldoorlog – van de Hollands Waterlinie, of door nog andere gebieden met namen zo mooi dat de tranen je in de ogen springen. Als de wandeling voorbij is, is het kunstwerk verdwenen.

Storm

Hij is geboren in Petten, achter de Hondsbossche Zeewering, de in vijf en een halve kilometer dijk gematerialiseerde overwinning van de Nederlandse mens op de elementen. Vader steenzetter, moeder huisvrouw, één zusje. Zeventien kilometer fietsen naar school, ’s morgens heen en ’s middags terug. Als het erg hard stormde, wachtte zijn vader hem halverwege op en fietste het laatste stuk voor hem uit.

Lang dacht hij dat hij bij de marine zou gaan. Hij zag zichzelf al zitten in het kraaiennest, turend naar de horizon boven eindeloze watervlakten – tot hij begreep dat het niets voor hem zou zijn, een pacifist met een hekel aan hiërarchie. De buurman van een oom, industrieel ontwerper, vertelde hem dat je met het uitleven van je creativiteit in principe ook je brood kunt verdienen. Zo werd het de kunstacademie, eerst in Den Haag – „aan zee” – en daarna in Amsterdam.

Turen over het water doet hij nog steeds graag, maar vraag hem niet waarom, want dan krijg je van die antwoorden als „de geest verruimen”. Vindt hij gezever. Zeg ook niet tegen hem dat hij een romanticus is, met zijn sehnsucht naar een tijd waarin lopen en fietsen de norm waren, en de straat waar hij woont, in oud Maarssen, met zijn vrouw en twee kinderen, nog niet van begin tot eind met lelijk blik stond vol geparkeerd.

„Romantisch?”, zegt hij. „Praktisch! Ik hoef niet naar de sportschool en het is beter voor het milieu.” Waarna hij weer over de moraalridder begint, die hij dus niet wil zijn, maar met moeite het zwijgen weet op te leggen. „We hadden hier de avondvierdaagse”, zegt hij. „Een moeder zei dat ze er volgend jaar niet meer aan mee zou doen – de héle route lag na afloop vol met afval. Mijn zoon, hij is tien, wilde het met een paar vriendjes gaan opruimen en ik dacht: daar moet ik wat mee doen. Maar wat? Wat kan ik doen zodat mensen erover gaan nadenken? Het moet onverwacht zijn, het moet pijn doen, het moet...”

Hij maakt zijn zin niet af. Hij zegt: „Er was een journalist die me vertelde over een dorp waar een megastal zou komen, negentig procent van de inwoners was tegen. Hij ging naar de plaatselijke supermarkt en fotografeerde het vlees dat die mensen gekocht hadden. Het kwam allemaal uit de bio-industrie.”

Zoiets dus.

De zon begint te schijnen, moeders komen hun kinderen brengen, want het is woensdagmiddag en dan kan er van twee tot half zes geknutseld worden in het C-Fordt.

Waar leeft de polderwachter van?

„Van weinig”, zegt hij. „In de zomer verdien ik meer dan in de winter. Mijn vrouw werkt ook, in de kinderopvang, en zo komen we rond. Laatst stond ik met haar te wachten bij het stoplicht en toen draaide iemand haar autoraampje open en zei: jullie stralen zoveel geluk uit.” Hij zwijgt even, een beetje gegeneerd, en zegt dan dat hij er een hekel aan heeft om de dingen te benoemen. Dingen moeten blíjken.

En liever voldoet hij niet aan verwachtingen. Zeggen mensen dat hij wel een natuurvriend zal zijn, dan zegt hij dat hij ganzen lekker vindt, het vlees van ganzen die gedood worden omdat het er veel te veel zijn. Hij zegt ook rustig tegen schoolklassen dat die hele Hollandse Waterlinie best kan worden afgebroken. „Als we er geen geld meer voor overhebben om het te onderhouden, dan ruimen we de boel toch gewoon op?”

Jammer voor de vleermuizen en de ringslangen en alles wat er verder nog groeit en bloeit tussen de afbrokkelende stenen van de groepsschuilplaatsen. Die moeten dan maar een ander heenkomen zoeken.

Hij kijkt er stoer bij, maar je ziet aan hem dat hij het niet meent. „Ik vertel het zo”, zegt hij, „dat kinderen gaan nadenken. Ik wil graag dat ze met meer vragen weggaan dan er zijn beantwoord.”

Dat polsstokspringen – durven ze dat?

Hij zegt geen ja en geen nee. Hij begint over het juttersmuseum op Terschelling, waar aan de wand een beschrijving hangt van wat kinderen vroeger allemaal deden. In bomen klimmen, door brandnetels lopen, hun knieën openhalen, rondstruinen, verdwalen. Je voelt al waar het heen gaat, maar dan zegt hij: „Als mijn kinderen het doen, ben ik ook bezorgd.”

Dus?

„Sommige stokken zijn vijf meter hoog, en als kinderen vragen of ze erin mogen klimmen...”

... dan zeg je...

„... dan denk ik wat iemand een keer tegen me zei. Als ze erin kunnen klimmen, dan kunnen ze dus klimmen. Dus ik zeg: probeer maar.”