Een gekwelde neus

Pieter Steinz leest Süskind

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: ziekenhuisgeuren.

illustratie hajo

Een goed reukvermogen heb ik altijd gehad. Niet dat ik de neus van een wijnkenner of een parfumeur heb; vijfendertig jaar geleden bleek ik bij een blinde test zelfs geen cognac van vieux te kunnen onderscheiden. Maar voor onaangename luchtjes ben ik hypergevoelig. Zweet, knoflook, sigarettenrook, ongewassen of ongeluchte kleren, lichaamsgeur, slechte adem, goedkope parfum, stinksokken – ik ruik het allemaal van verre afstand en voordat iemand anders er erg in heeft. Anderhalf jaar geleden dreef ik mijn huisgenoten nog tot waanzin met mijn aanhoudende klachten over een onverklaarbare rioollucht in twee kamers van ons huis. Niemand stoorde zich eraan, maar mij werkte het op de zenuwen. Toen we uiteindelijk een aannemer in de arm hadden genomen om het verwarmingssysteem te reviseren – alle andere oorzaken waren uitgesloten – trok de stank zich terug.

Mijn reuk was al scherp, tegen het maniakale aan, maar tijdens mijn verblijf op de intensive care begon ik me een moderne Jean-Baptiste Grenouille te voelen.

Grenouille is de hoofdpersoon van een historische roman die ook bij een derde lezing fascinerend en unputdownable blijkt: Das Parfum van Patrick Süskind. Het is het verhaal van een in 1738 geboren Parijzenaar die gebukt gaat onder het feit dat hij geuren onderscheidt die niemand zelfs maar ruikt, en die zijn roeping vindt in het creëren van hemelse parfums – waarvoor hij soms drastische ingrediënten gebruikt. Grenouille is bovendien een man die zelf geen geur heeft, wat zijn sociale contacten danig bemoeilijkt. Om zichzelf tussen de mensen te kunnen mengen, brouwt hij een typische mensengeur: ‘Van het deksel van de sardienenton die achter in de winkel stond, schraapte hij een visachtig-ranzig riekend goedje af, mengde het met een rot ei en castoreum, ammonia, nootmuskaat, gevijlde hoorn en geschroeid varkenszwoerd, in fijne kruimels’ (vert. Ronald Jonkers).

Vraag me niet hoe het komt – de invloed van een maagoperatie, van pijn, van medicijnen, van een vreemde omgeving? – maar na twee dagen ziekenhuis leek alles waarmee ik in aanraking kwam met Grenouilles maskerparfum besprenkeld. Het ergst waren de po’s, niet door wat erin had gezeten maar door een combinatie van roestvrij staal met schoonmaakmiddel. Een onontkoombare stank die zich ook had genesteld in het beddengoed, de handdoeken en de hospitaalpyjama’s.

Aanvankelijk hield ik de misselijkheid op een afstand met een doekje met de alcohol waarmee artsen en de verpleegkundigen voortdurend hun handen desinfecteren, maar na een week kon ik ook dat niet meer luchten. Uiteindelijk hielp alleen petroleumether, mits met mate opgesnoven.

Mijn vrouw zei dat ik dingen rook die er niet waren, en daarna dat normale geuren verhevigd binnenkwamen, zoals bij een bevalling, waar de barende vrouw de geur van haar meepuffende geliefde op een gegeven moment niet meer kan velen. Helemaal geen gekke gedachte, want tot mijn ontzetting werd ik op een gegeven moment ook onpasselijk van de adem en de luchtjes van de mensen rondom mijn bed, van de artsen en de verpleegkundigen tot mijn kinderen en mijn vrouw. Ik besloot me er maar bij neer te leggen en de olfactorische kwellingen (zoals Süskind ze zou noemen) zoveel mogelijk te negeren. Voor je het weet raak je in totaal isolement, net als Grenouille: ‘Zo voerde zijn neus hem naar steeds afgelegener streken van het land, verwijderde hem steeds verder van de mensen en dreef hem steeds dwingender in de richting van de magneetpool der grootst mogelijke eenzaamheid.’

Goedbeschouwd was er maar één ding dat ik lekker vond ruiken en dat waren de sandwiches die mijn vrouw ’s middags en ’s avonds aan mijn bed at. Juist dát was eigenaardig, want sinds ik lijd aan ALS, heb ik een aversie ontwikkeld tegen brood. Tegen de meeste meelproducten trouwens, en tegen rode wijn (zelfs de beste bourgognes smaken alleen maar zuur) en koffie. Het leek erop dat de ziekte mijn reuk en daarmee mijn smaak had geherprogrammeerd. En nu, op de IC, te midden van het bombardement van vieze luchtjes, klampte ik me vast aan de geur van twee boterhammen met gerookte zalm, sla en roomkaas.

Het zal de honger wel geweest zijn. Na mijn opname had ik bijna vijf dagen helemaal niets gegeten, waarna ik was overgegaan op intraveneuze voeding, die je van alles voorziet wat je nodig hebt, maar geen verlichting geeft voor het knagende gevoel in je maag. Geen wonder dat een simpele sandwich me toewasemde als ambrozijn. En natuurlijk viel het tegen toen ik na zeven dagen werd afgekoppeld van de zakken vloeibaar voedsel en mijn maag weer belast mocht worden. De lang versmachte sandwich smaakte laf, en de hoop dat een kopje koffie erbij goed zou smaken, werd bij een eerste slok de grond ingeboord. Uiteindelijk bleek het geurenpandemonium op de IC een twee weken durende hallucinatie te zijn geweest. Mijn reuk is niet geherprogrammeerd; aan brood, wijn en koffie beleef ik nog steeds geen plezier. Maar geen wolk zo zwart of er zit een zilver randje aan: mijn vrouw ruikt weer even lekker als ze altijd heeft gedaan.