Cowboys

Aan de meet in Oyonnax kijk ik in het gezicht van Andrew Talansky. De kopman van Garmin-Sharp heeft met luttele seconden de tijdslimiet gehaald, na een helse calvarietocht. Anderhalf uur eerder had Radio Tour omgeroepen: Talansky: abandon. De Amerikaan bedacht zich, kroop uit de vangrails en sleepte zich naar het einde van de etappe.

’s Anderendaags kwam hij niet meer aan de start. In de kranten werd hij geprezen voor zijn heldenmoed. „Quel coureur! Quel monsieur!” Een meneer? In Oyonnax niet eens een mens meer. Verschroeid lichaam, dode ogen, ingevroren mond. Ik had het gevoel dat ik naar iets obsceens stond te kijken. Daar had de Franse televisiezender geen last van, want het lijden van Talansky werd uitgemolken in duizend-en-een close-ups.

Vive la souffrance!

La grande boucle is de omgekeerde wereld: slagregens, moordende hitte, een tot op het bot verhakkelde menigte zijn nu de criteria van epos en drama. Uitgeputte skeletten, snakkend naar een infuus als triomfbogen. Maar zie de winnaar van een etappe op het podium staan, en er is geen spoor meer van sleet, pijn of misère. Alsof hij net een amoureus wandeltochtje langs het meer heeft gemaakt, zo staat hij daar te stralen. De Tour is iedere dag een mysterie van recuperatie.

Renners blijven kinderen die zich zeven levens per dag kunnen veroorloven. Dat zijn de volgers ook. Ik probeerde in hun spoor te blijven tussen Besançon en Oyonnax: gekkenwerk. Zoals soigneurs over Franse wegen scheuren, kom je het in actiefilms niet tegen. Spookrijders zonder god en gebod. In de Tour mag dat.

De chauffeurs voor de gasten van de wielerteams en tv-zenders doen niet onder in spektakelzucht. Meestal zijn het oud-renners, onverminderd verslaafd aan het verloren paradijs. Klagen over cowboys van sprinters is kleinzerig misbaar. De echte Far West zie je terug in de volgerskaravaan, als ploegleiders zich, in een guerrilla van blik, van de staart van het peloton naar een vluchtersgroepje slingeren. Auto’s met een alcoholpromille van + 10.

Voor de start van de elfde etappe in Besançon stond Erik Breukink aan de bus van Belkin. Achter het hek, op enige afstand van ploegleiders en renners. Ook niet in het kluwen van de media. Aan zijn voeten wemelde het van kabels en zwerfvuil. De parkeerruimte waar rennersbussen en volgwagens zich ophouden, hebben de groezelige zelfkant van stationsbuurten. Je kan er een vrouw niet op hakken laten lopen.

Het decor scherpte het contrast met de aristocratische flair van de gewezen Rabobankmanager nog aan. Erik Breukink hield een mooi soort roerloosheid over zich. Hij stond er dromerig bij, de immer blauwe ogen gefixeerd op een horizon die hij alleen zag. Weemoedig.

Er stond een plastic stoeltje tegen de bus, maar hij maakte geen aanstalten voor een gemoedelijke zit. Ik herkende de distantie die hij als renner en ploegleider ook had. Hij was ook vandaag niet uit op intimiteiten.

De Belkinequipe leek zich niet bewust van de aanwezigheid van de oude leermeester, of deed alsof. Breukink stond daar in het isolement van zijn verleden. Jarenlang was hij voor en na de etappe roerganger van zo’n rennersbus geweest, en nu kwam hij er niet in. Dat wou hij ook niet. Maar zijn hele wezen ademde hunkering naar masseerolie.

Ik vroeg hem hoe het met Gea was. Dertig jaar geleden ontmoette ik haar op de rustdag in een shabby plattelandshotelletje. Ze zat er, mooi opgekruld in eindeloosheid, op haar man te wachten - de masseur gaat voor, had Erik gezegd.

Het gaat uitstekend met Gea.