Aan het eind van de dag: rellen

Titia Ketelaar in Noord-Ierland

foto paul faith / afp

Al ruim een uur sta ik tussen de familie McKee naar de befaamde Oranjemars van Belfast te kijken. Grootmoeder heeft een zak popcorn geopend, in de plastic tassen onder de klapstoelen en in de kinderwagens zit proviand voor de komende uren. Zelfs de baby van zeven weken oud is mee.

Een eindeloze slinger passeert: eerst een vaandel, dan een groepje serieus kijkende mannen met oranje sjerpen, bolhoeden en witte handschoenen (de leden van een lokale protestante loge), dan fluiten en trommels. En dat in herhaling. Loges uit negen wijken, negentig bands. Allen met min of meer dezelfde strijdlustige marsmuziek. Stap, stap, stap. Het is vreselijk saai. Zelfs de competitie doedelzakspelen die ik onlangs bijwoonde in Schotland was opwindender dan deze eentonigheid.

Met de Oranjemarsen, die door heel Noord-Ierland worden gehouden, vieren protestanten dat de Nederlandse koning-stadhouder Willem III in 1690 bij de Slag bij Boyne zijn Engelse, katholieke schoonvader James versloeg. Er zijn theedoeken te koop met king Billy te paard. De marsen zijn bedoeld om de buitenwereld te laten zien dat het protestantisme nog altijd leeft. En daardoor zijn ze omstreden in een land waar nog altijd spanningen bestaan tussen katholieke nationalisten, die één Ierland willen, en protestante unionisten, die bij het Verenigd Koninkrijk willen blijven. Het marsseizoen wakkert de onrust aan.

Ondanks de eentonigheid hoop ik niet op een Oranjemars zoals we die vaak op televisie zien. Met rellen, als de protestanten uitdagend door katholieke wijken lopen, of als hun dat juist wordt verboden. De laatste jaren liepen marsen soms zo uit de hand dat de helft van het politiekorps dit weekeinde op de been was. Nu bleef het rustig.

Maar de gemeente Belfast probeert dit weekeinde te promoten als ‘Orangefest’. Op het vliegveld kreeg ik een foldertje met de tekst: „Maak tijd om een traditioneel, lokaal feest bij te wonen”. Er wordt gesproken over eetkraampjes die „het beste van Ulster” verkopen, en acrobaten en clowns. En de gemeente raadt na afloop „winkeltherapie” en eten in een restaurant aan. Dat indachtig de rellen vrijwel overal de rolluiken dicht zijn, alleen hotels eten serveren, en de meeste Noord-Ieren Belfast ontvluchten, wordt voor het gemak even vergeten.

Het is heus gezellig. Dankzij een bevriende journalist zit ik in de tent van de Royal York Lodge op ‘the Field’, een park aan het einde van de route. Daar hebben de vrouwen een lunch verzorgd: salades, kip, taart en toetjes. Verscholen achter bomen, uit het zicht van hun ouders, drinken slungelige tieners met opgeschoren nekken bier en breezers, en flirten ze met de meisjes, die de Britse vlag als wikkelrok hebben omgeslagen.

Het venijn zit hem in de staart. Naarmate de middag vordert, neemt het drankgebruik toe – naar goed Brits gebruik. Ook bij de paardenraces op Ascot of de Highland Games in Schotland hoef je als journalist na theetijd geen eloquente antwoorden meer te verwachten. Maar de tongen worden wel losser. Hier worden de verhalen over ‘De Ander’ racistischer, tot de paus zelfs wordt vergeleken met Hitler.

De Orange Order heeft de marcherende achterban bevolen niet met stenen te gooien en niet door de katholieke Ardoyne-buurt te lopen (een paar honderd meter van de tien kilometer). Men klaagt: „Het is ons burgerrecht.” En vol lof wordt er gesproken over de brandstapels de avond tevoren, waarbij de Ierse vlag en verkiezingsposters van katholieke politici in brand werden gestoken.

Voor de Oranjemarsen een volksfeest zijn, moeten er nog heel wat stappen worden gezet.