Vliegramp Oekraïne vergt onafhankelijk onderzoek

Donderdag 17 juli 2014 zal voor altijd te boek staan als de dag waarop zich in de Nederlandse geschiedenis een van de grootste vliegrampen voordeed. Het toestel van Malaysia Airlines, dat op Schiphol was opgestegen en in het oosten van Oekraïne neerstortte, had bijna 300 inzittenden aan boord, inclusief bemanning. Geen van allen overleefde de ramp; onder de slachtoffers zijn, volgens berichten vanochtend, 173 Nederlanders.

Het heeft er alle schijn van dat dit niet om een ‘gewoon’ vliegtuigongeluk gaat, maar dat het passagierstoestel het niet beoogde doelwit is geworden van de separatisten die in Oekraïne met het regeringsleger in oorlog zijn. Het lijkt er op dat de Boeing 777-200 met een raket is neergehaald, die vermoedelijk bestemd was voor een militair transportvliegtuig. Dit maakt, als het klopt, deze crash tot onderdeel van een burgeroorlog die wereldwijd de aandacht vergt. De doden, ook Maleisiërs, Australiërs, Indonesiërs, Britten, Duitsers, Belgen, Filippijnen, een Canadees en nog te identificeren inzittenden, zijn dan slachtoffers van een oorlog waar zij part noch deel aan hadden.

Voor Malaysia Airlines komt deze klap bovenop de catastrofe die zich op 8 maart van dit jaar voordeed, toen een toestel van deze maatschappij met 239 inzittenden boven de Indische Oceaan zoekraakte; het is nog altijd spoorloos. Het is de vraag of de Maleisische luchtvaartmaatschappij, waarvan de financiële positie al wankel is, deze tweede dreun kan overleven.

Nederland rouwt vandaag; de vlaggen op overheidsgebouwen in binnen- en buitenland hangen halfstok. Koning Willem-Alexander en minister-president Rutte reageerden in eerste instantie op een wijze die van hen mag worden verwacht. Zij verklaarden zich diep geschokt te voelen en betoonden hun medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers.

Premier Rutte, die gisteravond van vakantie terugkeerde, staat voor een ernstige taak, samen met minister Timmermans van Buitenlandse Zaken. Vanzelfsprekend geldt voor hen dat zij het onderzoek moeten afwachten, maar cruciaal is hoe dat zal worden uitgevoerd. Ingewikkeld zal dat zeker zijn, nu het toestel is neergestort in een gebied waar anarchie heerst, dat op dit moment gedomineerd wordt door opstandelingen die zich van Oekraïne willen afscheiden en die dit naar hun eigen opvatting al hebben gedaan.

Hun vrienden, of vermeende vrienden, huizen in Rusland en dat schept voor president Poetin een zware verantwoordelijkheid, waarvan de consequenties aanzienlijk verder reiken dan een medelevend telefoontje naar premier Rutte. Het is een onverdraaglijke gedachte dat zulk geavanceerd wapentuig in handen kan zijn van bandeloze rebellen als de separatisten in het oosten van Oekraïne. Een wapensysteem dat in staat is om een toestel dat op tien kilometer hoogte vliegt, neer te halen.

De eerste reactie van Poetin stemt allerminst hoopvol. Het Kremlin legde in een verklaring de schuld bij de Oekraïense regering in Kiev: omdat zij de oorlog niet staakt, kon het gebeuren dat het passagiersvliegtuig werd neergeschoten. Een drogredenering. Al vaker is gebleken in het Russisch-Oekraïense conflict dat Poetin meer bezig is met het veroorzaken van problemen dan met bijdragen aan oplossingen.

Te meer blijkt uit deze houding dat het onderzoek naar de oorzaken van de ramp niet aan Rusland kan worden overgelaten. Het is dus logisch dat Rutte zijn energie hierop richt: dat het onderzoek een onafhankelijk en internationaal karakter krijgt, een pleidooi waarvoor de Nederlandse minister-president alle bondgenoten moet inschakelen die ervoor te vinden zijn. Laat de feiten op tafel komen; de nabestaanden hebben er recht op.