Column

Varigotti!

Mijn sigarenwinkelier, bij wie ik al jarenlang alleen nog kranten in plaats van kankerstokjes koop, was terug van vakantie. Ik vermoedde dat hij daar blij om was, want hij houdt niet van vakantie, hij doet het vooral voor zijn vrouw. Er zijn veel meer van zulke mensen, maar er wordt weinig over ze geschreven. Ze worden als zonderlingen beschouwd die je niet helemaal serieus hoeft te nemen.

In een vertrouwelijke bui heeft hij me weleens verteld dat hij opgelucht ademhaalt als zijn vrouw met een vriendin een of ander bloedheet oord in Griekenland opzoekt, waar ze als een verschroeide tosti van terugkeert. „Die hitte, jongen, ik moet er niet aan denken. En je verveelt je kapot, want het is er te warm om een pink te verroeren. Laat mij maar lekker thuis keutelen. Eindelijk het rijk alleen.”

Maar deze zomer móést hij mee, omdat hun huwelijk een jubileumjaar had bereikt. „Hoe was het?” vroeg ik zo luchtig mogelijk. „Ontzettend”, zei hij terwijl hij de ochtendkrant die hij voor zich op de toonbank had uitgespreid, opzij veegde. „Vertel”, zei ik.

Hij zuchtte diep, maar ik wist dat het genot nu pas voor hem begonnen was. Wie geniet er niet van zijn gelijk? „Het was om gek van te worden”, zei hij. „We zouden naar de Bloemenrivièra gaan, ken je dat?” „Varigotti!” riep ik enthousiast, „daar ben ik ruim vijftig jaar geleden nog met mijn ouders geweest. Ik heb er goede herinneringen aan. Een bungalow tegen een heuvel, uitzicht op zee, eten op het zonovergoten terras. Dat was toen nog een heel bijzondere reis voor een kind.”

Hij sloot even zijn ogen. „Het kostte ons twee dagen extra om er te komen. Mijn vrouw werd op doorreis in Zwitserland doodziek. Galsteenproblemen. Ze was misselijk en had veel pijn. Ze hebben haar een paar dagen opgenomen en onderzocht. Voor de rest van de vakantie kreeg ze medicijnen mee.”

„Toen konden jullie eindelijk een beetje bijkomen”, zei ik. Hij lachte licht smalend. „Op de derde dag belt de familie. Mijn zus heeft een hartattaque gekregen en ligt in het ziekenhuis. Mijn moeder is in paniek, want ze wil naar haar kind, maar ze weet niet hoe ze er moet komen. Ik heb dagenlang van alles zitten regelen in een tent waar je tegen de hitte kon leunen.”

„Je bent toch nog wel een kijkje gaan nemen in Genua?” vroeg ik. „Jazeker”, zei hij, „interessante stad. Jammer alleen dat ik er op een markt gerold werd. Cash, papieren, alles weg. Je hebt alleen al een vakantie nodig om de rompslomp daarna te verwerken.”

Het was duidelijk dat deze ene reis hem voldoende alibi’s had verschaft om de rest van zijn leven elke vorm van vakantieviering categorisch te weigeren. Het was hem van harte gegund. Hij wilde nog wat uitweiden, maar werd onderbroken door de binnenkomst van een nieuwe klant, een korte opgeblazen man die een haastige indruk maakte. „Henk!” riep de winkelier, „nou al terug?”

„Godver ja”, zei de man. „We waren net twee dagen met de caravan van huis toen we te horen kregen dat onze flat finaal was ondergelopen bij dat onweer laatst in Amsterdam. Ria had het bovenlicht opengelaten. De kat was ook weg.” „Wees blij”, zei de winkelier, „anders was-ie misschien verzopen.”

Ik kocht mijn krantje en probeerde zo geruisloos mogelijk weg te komen, maar hij riep me achterna: „Ga jij nog weg?” „Jazeker”, bekende ik. Hij lachte. „Toch niet naar Varigotti?”