Van bloemkoolwijk tot eindeloze nachtmerrie

De Atlas van de verstedelijking in Nederland toont dat steden door grootschalige, naoorlogse uitbreidingen volgens wisselende stedenbouwkundige modes steeds meer op elkaar gingen lijken.

De OV-fiets wordt uitvoerig bedankt in de inleiding van de Atlas van de verstedelijking in Nederland. 1000 jaar ruimtelijke ontwikkeling. Zonder ‘deze schitterende uitvinding’ was de atlas er niet geweest, schrijven redacteuren Reinout Rutte en Jaap Evert Abrahamse. Fietsen was voor de twee stedenbouwhistorici de beste manier om met eigen ogen de 35 grootste steden van Nederland te bekijken. Dit was de eerste stap om de vraag die ze met hun Atlas van de verstedelijking willen beantwoorden: ‘waarom zien de Nederlandse steden er tegenwoordig zo uit als ze eruitzien?’

Al in de veertiende eeuw behoorden de Lage Landen tot de meest verstedelijkte gebieden van Europa, schrijven ze ook in de inleiding. De meeste van de 35 steden waarvan de Atlas aan de hand van oude en nieuwe kaarten, diagrammen, (lucht)foto’s, prenten en schilderijen de ontwikkeling laat zien, dateren dan ook uit de Middeleeuwen. Zelfs industriesteden als Hengelo en Eindhoven, die pas na 1850 groot werden, bestonden toen al als dorpjes.

De vorm van de oude Nederlandse steden werd sterk bepaald door plaatselijke omstandigheden en economieën, zo blijkt uit de Atlas die behalve uit een deel met 35 stadsbeschrijvingen, bestaat uit rijk geïllustreerde algemene artikelen van verschillende auteurs over de verstedelijking in Nederland. Zo kreeg de bestuursstad Den Haag, gelegen op de grens van zanderige duinen en veengebieden, een heel andere plattegrond dan Amsterdam, de handelsstad in het drassige polderland bij de Zuiderzee.

Lintstad

Amsterdam werd in de Gouden Eeuw door de aanleg van de beroemde grachtengordel bijna vier keer zo groot als het in 1600 was. Maar de succesrijke planmatige uitbreiding, het grootste stedenbouwkundige project in Europa van de 17de eeuw, vond nauwelijks navolging in de andere Nederlandse steden. De meeste steden groeiden lang zo hard niet als Amsterdam, zo laten onder meer de vaak priegelige, moeilijk leesbare kaarten van de steden zien. En Zaanstad, de eerste industriestad van Nederland die wel hard groeide in de 17de eeuw, kreeg wegens de bijna duizend windmolens die op zekere afstand van elkaar moesten staan, de vorm van een tien kilometer lange, geïmproviseerde lintstad langs de rivier De Zaan.

Op de bloei in de Gouden Eeuw eeuw volgde economische stagnatie na het Rampjaar 1672. Met uitzondering van Den Haag groeiden de oude Nederlandse steden vrijwel niet in de 18de eeuw. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw, toen ook in Nederland de industrialisatie begon, breidden de steden weer uit. Het industriële tijdperk bracht nieuwe stedentypes: fabriekssteden als Hengelo, Eindhoven en Tilburg en woonsteden als Hilversum en Apeldoorn.

De grootste groei van de Nederlandse steden had plaats na 1945, de tijd van de wederopbouw en de verzorgingstaat. Dit ging op opvallend uniforme wijze. Zo maakten vrijwel alle steden eendere megalomane sanerings- en doorbraakplannen voor de oude stadsdelen. Meestal zijn deze slechts gedeeltelijk uitgevoerd omdat ze omstreeks 1970 stuitten op groot verzet van de bevolking.

‘Wijkgedachte’

Ook de nieuwbouwwijken werden eenvormig. Eerst kregen vrijwel alle Nederlandse steden modernistische woonwijken, geregeerd door de ‘wijkgedachte’ en ‘licht, lucht en ruimte’, vervolgens, vanaf de jaren zeventig, knusse bloemkoolwijken met woonerven en vanaf 1990 vinexwijken met vestingen, eilanden en andere ‘thematische’ buurten. Door deze grootschalige, naoorlogse uitbreidingen volgens wisselende stedenbouwkundige modes gingen de Nederlandse steden steeds meer op elkaar lijken, zo stellen de drie auteurs van het artikel over de stedelijke ontwikkeling in de jaren 1950-2010 vast.

Zoals het hoort in een atlas, zijn de meeste artikelen in de Atlas van de verstedelijking in Nederland droge, feitelijke beschrijvingen van de stedelijke ontwikkelingen door de eeuwen heen. Zo omschrijft Abrahamse de Bijlmermeer bij Amsterdam, de grootste stedenbouwkundige mislukking in de Nederlandse geschiedenis die nu grotendeels is gesloopt, droogjes als ‘een hoogbouwwijk met honingraatvormige flats in een doorlopende groene ruimte’.

Mederedacteur Rutte kan zich minder goed inhouden en gebruikt regelmatig ongepaste, want on-atlasachtige, afkeurende kwalificaties. Vooral de vinexwijken moeten het ontgelden. Wijken met gebogen straten vindt hij onzin en over Kattenbroek in Amersfoort, de moeder van alle thematische Vinexwijken, schrijft hij: ‘Grote delen maken een gekunstelde indruk en wekken associaties met een labyrintisch kinderdorp waar geen einde aan komt, als in een nachtmerrie.’