‘Vaak keek ik even in de prullenbak’

Nieuwssites, blogs en sociale media. De journalistiek verandert in razendsnel tempo. Hoe werd de krant in de vorige eeuw gemaakt?

‘Het was goed voor de conditie. Op zondagavond fietste ik op en neer naar het station. Dan pikte ik de treinbrieven op en bracht ze naar de krant.’ Begin jaren vijftig was Frans Heddema (79) een hulpje op de sportredactie van het Haarlems Dagblad. Als 22-jarig manusje van alles was het zijn taak om iedere zondagmiddag de sportverslagen van de voetbalwedstrijden, geschreven door de landelijke correspondenten, te verzamelen. „Zij brachten hun verslagen naar de trein, ik kon ze bij de achterste goederenwagon afhalen. Als ik te laat was, lagen ze bij een speciaal kantoortje klaar.”

Eenmaal op de redactie moest Heddema de sportverslagen bewerken tot behapbare krantenstukjes. „We waren meestal bezig tot een uur of drie ’s nachts. De volgende ochtend nam ik vanuit Haarlem om zeven uur de tram. Ik werkte als ambtenaar op het belastingkantoor in Amsterdam.” Het gestructureerde bestaan bij de belastingdienst begon al snel te vervelen. Heddema solliciteerde halverwege de jaren vijftig bij de Geïllustreerde Pers. De uitgeverij, gevestigd in een pand op de Stadhouderskade in Amsterdam, gaf bladen uit waaronder Donald Duck, Margriet en Revue. Heddema werkte in het archief, maar beantwoordde in zijn vrije tijd de brieven die kinderen aan Donald Duck schreven. Ze vielen op en hij mocht op de redactie van weekblad Revue komen werken. „Daar verzorgde ik de ingezonden brieven. Dat waren er niet zo veel, een groot deel verzon ik zelf.”

Dat gold ook voor de rubriek ‘Revue tekent de werkelijkheid’. Iedere week kreeg het weekblad een prent toegezonden van een Italiaans tijdschrift. „Meestal een dramatisch plaatje van een ongeluk: een priester in de biechtstoel die door een truck wordt aangereden. Of een voetballer die wordt neergeknald.” Het was aan Heddema om er een spannend verhaal bij te verzinnen. „Best lastig, alles moest kloppen, je wilde natuurlijk geen boze lezersbrieven over een niet bestaand dorp.”

Dat de verhalen voor deze populaire rubriek allemaal werden bedacht, was niet bekend bij de lezer. „Het is ook nooit uitgekomen en de redactie vond het mooi. We hebben heel wat afgelogen. Er is ook nooit een lezersonderzoek over geweest, het hoorde gewoon bij Revue.”

In 1953 kreeg Heddema te horen dat hij naar een nieuwe baan moest gaan uitkijken. Volgens de hoofdredacteur had hij ‘te weinig fantasie.’ Hij werkte achtereenvolgens bij De Aalsmeerder Courant en De Amstellander en maakte eind jaren zestig de overstap naar het rooms-katholiek dagblad De Tijd. „Daar kreeg ik bij aankomst twee dingen te horen. Je bent geen katholiek, dus je zult nooit redactiechef worden. En maak geen grapjes over rooms-katholieken.” Strenge woorden, toch begon Heddema net in de tijd dat Nederland een periode van ontzuiling en ontkerkelijking doormaakte. „We hadden alle vrijheid. De provo-beweging was in opkomst, de krant werd zeer populair bij de actiegroepen. We plaatsen grote interviews met activisten als Roel van Duijn.” Toch was de sixties-mentaliteit niet overal bij de krant doorgedrongen. ‘Het gezag’ speelde volgens Heddema nog een grote rol. „Ik werd een keer op het matje geroepen bij de hoofdredactie omdat ik bij een persconferentie geen stropdas droeg.”

Vlak voordat De Tijd in 1974 de overstap maakte van dagblad naar opinieblad, vertrok Heddema als stadsverslaggever naar Het Parool. „Dat waren gouden tijden. Ik deed alles: gemeentelijk beleid, volkshuisvesting, jeugdtheater, buurtvergaderingen en teach-ins over het beleid van de gemeente. Geweldige bijeenkomsten, daar kon geen cabaretvoorstelling tegenop.”

Vooral op het gebied van de ruimtelijke ordening rommelde het in Amsterdam. Na de oorlog kampte de binnenstad met toenemende verkeersproblemen en opstoppingen. Nieuwe wegen en een metrolijn moesten worden aangelegd, huizen werden gesloopt. „Vooral in de Nieuwmarktbuurt vielen de plannen slecht. Er waren heftige buurtprotesten, maar ook steeds meer ambtenaren kwamen in verzet. Ik had goede contacten op het stadhuis, dus ik kreeg vaak een interessante nota doorgeschoven.”

Rondhangen op het stadhuis was een belangrijk onderdeel van het werk. Rond een uur of half zes ’s avonds maakte Heddema vaak een rondje op de burelen om ‘vissen te vangen’. „Contacten onderhouden, het vertrouwen winnen van ambtenaren, die zaken zijn heel belangrijk. Meestal keek ik of er nog interessante dingen in de prullenbak lagen. Vaak zat er wel iets bij wat een assistent van de wethouder argeloos had weggegooid. Dan had ik weer nieuws.”

In de avond was hij meestal bij een buurtbijeenkomst of zat hij bij de commissie- en raadsvergaderingen in het gemeentehuis. „In de jaren tachtig was de perstribune altijd vol: Het Parool, de Volkskrant, De Waarheid, Het Algemeen Handelsblad en Radio Amsterdam, ze waren er allemaal. Lokale politiek werd door de grote kranten nog op de voet gevolgd. Ik zorgde er ook voor minstens net zo veel te weten als de raadsleden zelf. Zo kon ik niet verrast worden.”

Het werk slokte Heddema volledig op. „In het café trof je mij niet aan. Als ik tijd over had, was ik thuis.” Qua zorg en aandacht voor de kinderen had het, zo geeft hij toe, ‘beter gekund’. „Ja, dat kan ik achteraf concluderen. Maar hoe kon je in godsnaam in deeltijd de gemeenteraadsverkiezingen doen? Er werd in die tijd niet over zorg nagedacht. Als journalist was je 24 uur per dag in dienst. Je moest er ook niet over gaan zeuren.”

Stadsverslaggeving werd nog gezien als een ‘echte mannenbaan’. Eind jaren zeventig was er plek voor twee nieuwe redacteuren op de Amsterdamse redactie. Heddema, inmiddels chef, nam alle sollicitatiebrieven door. „De beste kandidaten waren twee dames. Maar de hoofdredacteur reageerde huiverig. Hij zei: ‘Ik wil een pik op de redactie. Die meisjes kan je toch niet het traangas insturen.’ Toch werden de dames aangenomen. Ze verdroegen het traangas uitstekend.”

Na 25 jaar vaste dienst bij Het Parool ging Heddema in de jaren negentig met vervroegd pensioen. „Ik had de keus: vrijwillig stoppen of twee jaar later met gedwongen pensioen. Ik koos voor het eerste. Ik dacht: als het me tegenvalt en ik ga hardop zitten schelden, kan ik tenminste zeggen dat ik er zelf voor heb gekozen.”