Sceptici in klimaat zijn niet zo kortzichtig

Kijk eens op een VVD-achtige, conservatieve manier naar klimaatverandering, schrijft Pepijn Vloemans.

Illustratie angel boligan

Voor een deels onder zeeniveau wonend en werkend volk is het een opmerkelijke tendens, maar de Nederlander lijkt met de dag sceptischer te worden over klimaatverandering. Nota bene het wetenschappelijk bureau van de VVD schreef onlangs dat er „nog veel onduidelijkheid” bestaat over het menselijk aandeel in klimaatverandering. En recent onderzoek onder de lezers van De Telegraaf wijst uit dat 73 procent geen vertrouwen heeft in de klimaatvoorspellingen van het KNMI. Maar liefst 80 procent zegt zich absoluut geen zorgen te maken over de mogelijke gevolgen van klimaatverandering.

Wat is hier in hemelsnaam aan de hand? Het is makkelijk om klimaatsceptici weg te zetten als dom, kortzichtig, egoïstisch of zelfs gemotiveerd door lobbybelangen. Zeker, Shell voert achter de schermen een lobby, sommige klimaatsceptici worden gefinancierd door de fossiele industrie en gaan zeer onwetenschappelijk te werk. Maar – pijnlijk om op te schrijven – de elegantste theorie is dat de meeste klimaatsceptici goede, eerlijke, oprechte mensen zijn, die toevallig op een andere manier tegen de wereld aankijken dan ikzelf.

Dat politieke tegenstanders niet het pure kwaad vertegenwoordigen, maar gewone mensen zijn met andere morele prioriteiten, is de centrale boodschap van The Righteous Mind: why good people are divided by politics (2012). In dit indrukwekkende boek toont de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt overtuigend aan dat onze politieke standpunten niet de beste en meest rationele zijn (waar we zelf natuurlijk heilig van overtuigd zijn!) maar simpelweg voortkomen uit onze psychologische voorkeuren.

Na jarenlang onderzoek kwam hij tot de conclusie dat progressieve en conservatieve mensen de wereld op een hele andere manier waarnemen. Een cruciaal inzicht van Haidt is dat onze morele overtuigingen ons blind maken voor de argumenten van iemand met een andere psychologische ‘fundering’. Dit is de kern van bijna alle politieke meningsverschillen. Wat betekent dit inzicht voor de klimaatwetenschap? Ten eerste dat het voor de ruime meerderheid van mensen aan beide kanten van het debat helemaal niet gaat over wetenschap, maar over gevoelens. We zijn instinctief klimaatactivistisch of klimaatsceptisch. Niet omdat we het laatste rapport van klimaatpanel IPCC hebben gelezen, maar gewoon, omdat het aansluit bij onze identiteit en onze politieke bloedgroep. En waar de groep begint, weten we, daar eindigt het wetenschappelijk denken.

Ten tweede – en hier gloort er hoop – blijkt dat de meeste klimaatsceptici niet de wetenschap achter de opwarming van de aarde betwisten, maar de ernst van het probleem en de aard van de oplossingen. Dat klimaatverandering bestaat, door mensen wordt veroorzaakt én een probleem is, beaamt zelfs de conservatieve publicist Jaffe Vink, van wie onlangs het boek Wie is er bang voor de vooruitgang verscheen. In een interview met Het Parool zei hij over klimaatverandering: „Ik bagatelliseer niets, maar we hebben de tijd om naar dat soort problemen te kijken. We moeten uit dat panische universum waarin het altijd vijf voor twaalf is.” In deze krant becijferde de klimaateconoom Richard Tol – die uit onvrede over de wetenschappelijke cultuur onlangs het IPCC verliet – dat de baten van klimaatverandering voor Nederland vooralsnog hoger zijn uitgevallen dan de lasten, vanwege warmere winters en hogere landbouwproductiviteit. Vink en Tol ontkennen niet dat het klimaat opwarmt, of dat het door mensen wordt veroorzaakt – ze vinden het alleen niet zo’n urgent probleem.

Veruit de grootste drijfveer van klimaatsceptici is, denk ik, de angst voor het type oplossingen dat doorgaans wordt gepresenteerd. „Het hele milieu- en klimaatprobleem gaat niet om milieu of klimaat, maar om geld”, schreef een deelnemer aan het onderzoek van De Telegraaf. „Er wordt je een probleem aangepraat dat als excuus dient om heffingen te legitimeren en dingen duurder te maken.” Een goed voorbeeld hiervan was afgelopen zondag te zien in het tv-programma Het filosofisch kwintet. De oplossing voor klimaatverandering die de tafelgasten zagen, betroffen verboden, heffingen, quota en besparingen. Ze vroegen om opofferingen, gedragsverandering, energiebesparing, en niets minder dan een cultuurverandering. Met deze woorden is het niet zo gek dat klimaatverandering synoniem is geworden met de angst voor duurdere benzine, windmolens in de achtertuin en een overheid die de persoonlijke levenssfeer binnendringt om verboden op te leggen.

In de Verenigde Staten is de Republikeinse partij grotendeels klimaatsceptisch – niet omdat ze fouten hebben ontdekt in klimaatrapporten, maar uit angst voor een grotere overheid en hogere belastingen.

Wat te doen? Het goede nieuws is dat er veel meer redenen te bedenken zijn om van eindige naar oneindige energiebronnen over te schakelen dan het klimaat alleen. Iedereen kan zien dat Nederlands aardgas opraakt, dat olie duur is en dat Poetin aan de gaskraan draait om Europese landen tegen elkaar uit te spelen. En, belangrijker: het is een omschakeling die gepaard gaat met enorme economische kansen. Voor iedere consument zal de geldbesparing als gevolg van gratis hernieuwbare energie zoals zon en wind welkom nieuws zijn. Goedkope zonnepanelen in combinatie met betaalbare batterijen zal de elektriciteitsrekening van huishoudens flink verlagen. De efficiëntie van elektrische motoren gaat autorijden op stroom flink goedkoper maken. En met de nieuwste generatie veilige kernenergie kunnen we nog duizenden jaren schone, goedkope stroom maken. Er is een ijzersterk en oer-conservatief verhaal te vertellen over de vele manieren waarop een schoon energiesysteem Nederland ondernemender, rijker, veiliger en schokbestendiger maakt.

Ik ben ervan overtuigd dat klimaatverandering een van de grootste problemen van deze eeuw is. Maar een energietransitie is gedoemd te falen als deze enkel wordt gemotiveerd door klimaatdoelstellingen en maar op één manier opgelost mag worden. Ze moeten net zo goed economisch, esthetisch en geopolitiek kloppen. Het is tijd om te denken over energie in termen van winst, welvaart en vooruitgang. Het zou best kunnen dat ze daar verstand van hebben bij de VVD.