Kom naar Londen, er wacht je een fortuin

In zijn debuutroman overstelpt de Amerikaanse schrijver Justin Go zijn lezer met historische kennis, die je als lezer door heel Europa voert, van de loopgraven tot IJsland.

Er is een aantal klassieke valkuilen waarop beginnende auteurs weinig bedacht zijn. Met jeugdig enthousiasme verdwijnen ze in de eigen, nog kleurloze navel. Of ze proberen juist elke interesse of fascinatie in een overkoepelend verhaal te proppen; een verhaal dat kraakt onder het gewicht van ambitie. Justin Go’s De onverbiddelijke tijd is een debuut uit die laatste categorie.

In een notendop: het is 2004 en Tristan Campbell, een stuurloze, pas afgestudeerde twintiger in San Francisco, wordt gebeld door een Engels advocatenkantoor. Tristan moet direct naar Londen komen, aangezien hij mogelijk recht heeft op de gigantische nalatenschap van Ashley Walsingham, een Engelse oorlogsveteraan en alpinist die in 1924 omkwam op de flanken van Mount Everest. Ashley had indertijd zijn fortuin nagelaten aan de Zweeds-Engelse Imogen Soames-Andersson, met wie hij in de week voor hij vertrok naar de moddervelden van de Eerste Wereldoorlog, een intense affaire beleefde. Imogen heeft haar erfenis nooit opgeëist, en binnen nu en een paar weken, wanneer de deadline van het trustfonds verloopt, kan Tristan er nog aanspraak op maken. Indien hij een bloedverwantschap kan aantonen met Imogen, wat nog niet zo eenvoudig is.

Daarmee is een klok opgewonden die automatisch gaat lopen. Tristan, door geheimhoudingsplicht teruggeworpen op zichzelf, begint aan een reis die hem naar vele uithoeken van Europa brengt, van Londen naar de slagvelden van Noord-Frankrijk, van Berlijn naar een eilandje in een Zweeds meer, om te eindigen in het oosten van IJsland. De onverbiddelijke tijd is, kortom, een queeste, tegen de klok nog wel, waarin Go de lezer overstelpt (en verblijdt) met zijn historische kennis. Dat doet hij bovendien in een prettige, leesbare stijl, zodat De onverbiddelijke tijd leest als de spreekwoordelijke trein.

Sterk is Go vooral in de beschrijvingen van de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog en de ontberingen van de eerste (mislukte) pogingen Mount Everest te beklimmen. Het waren de veteranen van de loopgraven die zich uiteindelijk naar de frontlinie van de nog niet bedwongen natuur begaven, gedreven door onrust. Ashley was ooit begonnen met klimmen vanwege zijn liefde voor de ongerepte natuur. ‘Was dat veranderd door de oorlog?’ schrijft Go. ‘Nee, die verklaring was te gemakkelijk. Hij had het altijd al heerlijk gevonden om te winnen, maar toch leek zijn obsessie met veroveringen te zijn ontstaan door de oorlog – niet eens zozeer de verovering op zich, maar de strijd tegen mislukking. Alles was beter dan de overgave aan de superieure krachten die hem omringden.’ Wat dat betreft moest ik sterk denken aan het uitmuntende non-fictie boek Into the Silence van Wade Davis, dat de oorlog en Everest met elkaar in verband brengt, en niet alleen een krachtig tijdsbeeld schetst, maar ook de historische figuren invoelbaar maakt.

En juist die invoelbaarheid is nogal eens een probleem in De onverbiddelijke tijd. Voor de bezeten reiziger en geschiedkundige Go was de historische context duidelijk de motor tijdens het schrijven. De personages lijken bijzaak, niet in de laatste plaats Tristan zelf. Als je gebeld wordt door een vreemd anachronistisch notariskantoor met een verhaal over een ontzagwekkend fortuin, mag je toch enige reflectie verwachten. Maar zelfs het vooruitzicht van ontelbare miljoenen maakt weinig in Tristan los. Hij gáát gewoon, van de ene aanwijzing naar de andere, te zeer de trekpop van de schrijver en diens bedoelingen om geloofwaardig te worden. Een probleem waaraan overigens ook Ashley en Imogen leiden.

Go krijgt de motivaties van de twee nooit scherp, en dat resulteert in een fikse dip in het hart van het boek, zeg maar: tussen de oorlog en Everest in. Daar krijgen de gesprekken tussen de geliefden een hoog soapgehalte, alsof een veelheid aan woorden onnaspeurlijk gedrag weg kan plamuren. Onnaspeurlijk gedrag dat noodzakelijk is om de constructie van het boek in stand te houden.

Misschien had Go er goed aan gedaan te focussen op zijn beste materiaal: de oorlog en Everest. Nu heeft hij – ongetwijfeld met Hollywood in gedachten – een kruising tussen The English Patient van Michael Ondaatje en De Da Vinci Code van Dan Brown willen schrijven. Het boek staat bol van boeiende geschiedenis, maar als roman laat het het nodige te wensen over.