Individuele woonweelde

De hele twintigste eeuw bleef het gezin de hoeksteen van het wonen; pas de laatste decennia werd het éénpersoons-huishouden gangbaar. En dat ging niet bepaald vanzelf.

Het Nieuwe Huis in Amsterdam-Zuid, dat in 1928 zijn deuren opende, was een revolutie op woongebied. Ongehuwden – vrouwen en mannen – konden er een appartement huren, en waren daardoor niet langer overgeleverd aan hospita’s of pensions. Luidde dit het einde in van de oude orde, waarin alleen wie met twee of meer was, aanspraak kon maken op zelfstandigheid?

Helaas niet. De hele twintigste eeuw bleef het gezin de hoeksteen van het wonen; pas de laatste decennia is het éénpersoons-huishouden enigszins gangbaar geworden. Dit boek dat – anders dan de meeste boeken over architectuur – niet alleen over stenen gaat maar ook over mensen, illustreert dus een revolutie die niet doorging. Een prachtige oplossing die nauwelijks navolging vond, waarschijnlijk omdat zij in deze vorm erg duur was – maar misschien ook vanwege het stigma dat vanouds rust op de ongehuwde staat.

De historie van Het Nieuwe Huis begon bij juffrouw Anna Kruys (40), ambtenares bij de gemeente, die in een pension aan de Frans van Mierisstraat woonde. In 1913 zocht zij met een vriendin via een advertentie lotgenoten: alleenwonende personen die net als zij een zelfstandige woning wensten, een ‘flat’ met twee of drie kamers en modern comfort.

Op een eerste bijeenkomst kwamen direct vijftig mensen af. De Amsterdamsche Coöperatieve Woningvereeniging ‘Samenwerking’, die een groeiend aantal (gezins-)woningen in Zuid bezat, wilde wel meewerken aan Kruys’ plannen voor een woongebouw op coöperatieve basis. Ook de Amsterdamsche Coöperatieve Keuken deed mee. Een gemeenschappelijk restaurant zou eigen keukens in een dergelijk woongebouw overbodig maken.

Zo werd in 1914 de Coöperatieve Woonvereeniging Het Nieuwe Huis opgericht. De leden waren afkomstig uit de middenklasse: hoger opgeleiden die buiten de doelgroep van de sociale woningbouw vielen, al was het maar omdat die zich alleen op gezinnen richtte. Traditionele hofjes voor vrouwen of tehuizen voor ongehuwde arbeiders waren voor hen geen serieuze alternatieven. Dorothee Oorthuys vertelt uitvoerig over de achtergrond van de coöperatieve gedachte en over vergelijkbare projecten in binnen- en buitenland.

Vertraging

Veertien jaar later stond Het Nieuwe Huis, zes verdiepingen hoog, aan het Roelof Hartplein: pontificaal in de as van de Van Baerlestraat. De Eerste Wereldoorlog en een wisseling van architect hadden voor vertraging gezorgd. Maar uiteindelijk was dankzij architect Barend van den Nieuwen Amstel een zorgvuldig ontworpen, chic afgewerkt gebouw neergezet. Een gebouw in gematigde Amsterdamse School-stijl met 169 appartementen, een marmeren trappenhuis, portiersloge en restaurant, dat ook voor niet-bewoners toegankelijk was. Met een fietsenkelder, een binnentuin, een dakterras op het zuiden, een leeszaal en een postkantoor.

Van den Nieuwen Amstels schepping was niet zo luxueus als de woongebouwen naar Amerikaans voorbeeld die in diezelfde tijd hier en daar verrezen. Maar zij straalde wel weelde uit. Sommige faciliteiten voor de bewoners – aanvankelijk tachtig procent vrouwen – doen ook nu paradijselijk aan. Zo waren er twintig kamermeisjes, op uurbasis in te huren. Maaltijden uit het restaurant waren per huistelefoon te bestellen, en voor acht gulden per maand werd ontbijt op bed gebracht. Een huisnaaister was regelmatig beschikbaar voor verstelwerk.

Het Nieuwe Huis bestaat nog steeds; eigenlijk is er merkwaardig weinig veranderd. Er wonen nog steeds alleenstaanden, onder wie nu studenten, al staan er geen kamermeisjes meer klaar. In 1975 verdween het restaurant, dat nooit rendabel was geweest. De verhouding met woningvereniging ‘Samenwerking’, de officiële eigenaar van het gebouw, bleef altijd lastig. Er is in de loop van de jaren ontzettend veel geredekaveld en zelfs geprocedeerd rondom het Nieuwe Huis: over de huisregels, de exploitatie, over renovatieplannen – je ziet het voor je, in zo’n coöperatieve organisatie van mondige mensen.

Toegift

De schrijfster vaart een prettige koers tussen historische details en grote lijnen, waarbij zij ook af en toe vertelt wat de huidige situatie is. Tussen de vele illustraties staan ook opvallend mooie nieuwe foto’s. Een bijlage bevat de namenlijst van de eerste bewoners van het Nieuwe Huis, plus een lijst van de leveranciers van bouwmaterialen. En dan is er ook nog een fotohoofdstuk over het oeuvre van de relatief onbekende architect Van den Nieuwen Amstel (1883-1957); een welkome toegift bij deze uitgave, die ver uitstijgt boven de meeste architectuurhistorische boeken.