Het was zijn lot om ongrijpbaar te zijn

Zelfportret van de kunstenaar als jonge man veroorzaakte in 1916 een schok. Nu rest een vermakelijke mix van filosofische dialoog, preek, dagboek, poëzie, gedachtestroom, essay en roman.

Tot voor kort had ik nog nooit een boek van James Joyce gelezen. Nog nooit dúrven lezen. Waarom niet? Intellectuele intimidatie. Kopschuw geworden door het aura dat om Joyce heen hing: een moeilijke schrijver voor academici, van zinnen die niet zonder annotatie kunnen, van boeken die als literair-historische objecten bestudeerd moeten worden.

Maar nu kreeg ik A Portrait of the Artist as a Young Man (1916) in handen, in de nieuwe vertaling van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Ik sloeg het open en las de eerste zin en die zin beviel mij meteen: ‘Er was eens lang geleden in die goeie beste ouwe tijd een kakoetjeboe dat de weg af kwam en dat kakoetjeboe dat de weg af kwam, kwam een fijnfijn knulletje tegen dat baby broekmans heette….’

Het is een klassiek sprookjesbegin, maar ook meteen een parodie daarop. Hier lijkt iemand te gaan vertellen, maar er hoort ook meteen het bewustzijn bij dát er verteld wordt. En dan is er dat kindertaaltje, met leuke woorden als ‘kakoetjeboe’ en een fijn woord als ‘fijnfijn’. En een goeie koosnaam: ‘baby broekmans’.

Het was een zin om veel meer van te willen weten. Toen ik op zoek ging naar een toelichting vond ik achter in het boek drie bladzijden over alleen maar deze zin, inclusief alle vertaalmogelijk- en moeilijkheden. Ik las dat dit een beroemde openingszin was. Je voelt je meteen een domme leek. En daarmee werd mijn Joyce-vooroordeel weer bevestigd. Alles van Joyce kan uitgebreid geannoteerd worden en elke uitleg kan ook weerlegd worden, zag ik. Het grappige is dat Bindervoet en Henkes hun uitputtende commentaar bij deze eerste zin vrolijk afsluiten met ‘En nu op naar zin 2.’

Ontroerend

Die aansporing heb ik opgevolgd. Ik ben zin 2 gaan lezen. En daarna zin 3. En zo voort, zonder me al te zeer over alle mogelijke toespelingen te bekommeren. En zo belandde ik al gauw in een geweldig meeslepend, en onderhoudend, en ontroerend, en grappig, en ook nog eens op heel veel plaatsen heel herkenbaar boek.

We zien een jongen opgroeien. Stephen Dedalus, gevoelig, intelligent, moet zijn weg zien te vinden in Dublin, aan het eind van de negentiende eeuw, in een tijd van armoe, in een katholiek Ierland dat bestuurd wordt door Engeland, op een jezuïetenschool, in een groot gezin dat langzaam aan lager wal raakt.

Er valt van alles over dit boek te zeggen (mythologisch, verteltechnisch, literair-historisch), maar het is ook een erg sfeervol boek. We volgen het leven op een Ierse kostschool, in een oud kasteel, met hoge trapportalen, donkere klassen en lange gangen. De wereld van vrienden, leraren, sportvelden, ruzies, heimwee. (Voor de lezers van Harry Potter!)

Langzaam zien we Stephen groter worden, en de onderwerpen minder kinderlijk. Er wordt thuis bij het kerstdiner met oom en tante over politiek gepraat en over de kerk – en niet zo zachtzinnig ook. Op school begint het tot Stephen door te dringen dat hij deel uitmaakt van een angstregime met domme tucht en strenge lijfstraffen, waar hij zelf ook het slachtoffer van wordt, in een vernederende scène.

Al even huiveringwekkend is de bladzijdenlange preek van een priester die tot in detail beschrijft wat zondaars straks in de hel te wachten staat: hoe de zwavel zal stinken, hoe heet het vuur zal zijn en hoe onverdraaglijk de pijn. Zo breng je zondebesef bij, zal de gedachte zijn geweest.

De scène is des te aangrijpender omdat we weten dat Stephen inmiddels dingen heeft ontdekt die volgens de kerkelijke leer zondig zijn: seksuele gedachten en handelingen. ‘Het boze zaad van de wellust.’ Hij heeft rondgedwaald door de hoerenbuurt van Dublin en hij is met een hoer meegegaan – in alweer zo’n prachtige, ingehouden, spannende scène, beschreven met een mengsel van lust en schaamte, angst en verlangen. En dat bezoek moet hij nu dan gaan opbiechten.

Stephen haat zichzelf om zijn ‘vunzigheid’. Maar tegelijk dient zich bij hem ook een besef aan ‘dat hij anders was dan anderen’. Hij ziet in dat ‘zijn zwijgende waakzaamheid’ bij hem hoort, en soms ook leidt tot ‘de vreugde van zijn eenzaamheid’. Bij die stemming past zijn stille liefde voor het mysterieuze muze-achtige meisje Eileen, ook weer in sfeervolle passages beschreven.

Priesterroeping

Als Stephen zestien is, gaat hij zich losmaken. Hij ontworstelt zich aan de kerk en de school. Hij laat de priesterroeping links liggen. Hij neemt afscheid van ‘het huis van gebed en behoedzaamheid’. Hij gaat zich verzetten tegen de nationalistische gevoelens van de Ieren om hem heen, wat hem natuurlijk niet in dank wordt afgenomen. Hij laat zijn familie los. ‘Het was zijn lot om ongrijpbaar te zijn voor sociale of religieuze ordes.’ Hij maakt zich, met schokken, vrij – in een dichterlijke scène, aan zee. ‘Zijn ziel was verrezen uit het graf van zijn jongere jaren.’

Op elke bladzijde valt af te lezen hoe zwaar die innerlijke strijd voor de zoekende Stephen is. Dit is wat mij in dit boek het meest raakte: hier vecht iemand om zichzelf te redden. Hij kan niet anders. Aan het einde van zijn jeugd dient zich zijn nieuwe roeping dan vanzelf aan. Stephen laat de religie achter zich en kiest voor het kunstenaarschap. Het boek eindigt met enkele bladzijden losse dagboeknotities. Daar spreekt onze Stephen voor het eerst in de ik-vorm. In de laatste zin vereenzelvigt hij, de jonge Daedalus, zich met zijn mythologische voorganger Icarus (zoon van Daedalus), die met zijn zelfgemaakte vleugels ontsnapte uit zijn zelfgemaakte labyrint en de vrijheid tegemoet vloog.

Zelfportret van de kunstenaar als jonge man moet honderd jaar geleden een schok hebben veroorzaakt. Om zijn kritiek op kerk, familie en nationalisme. Om zijn aandacht voor lichaam en seks. Om zijn inzicht in de diepere lagen van de ziel. En om zijn bijzondere vorm. Het is nog steeds een wonderlijk verzamelboek van stijlen en genres. Filosofische dialoog, preek, dagboek, poëzie, gedachtestroom, essay en roman door elkaar, maar allemaal heel goed te volgen, want ook heel goed vertaald door Bindervoet en Henkes. En door hen ook nog eens voorzien van dertig pagina’s toelichting. Al lezende kreeg ik zowaar behoefte aan nog meer voetnoten. Zo werkt het blijkbaar bij Joyce: het smaakt naar meer. En nu op naar Ulysses.