Geef jihadisten een podium in de polder

We lossen het probleem van jihadgangers niet op door hen als ontspoorde jongeren te zien, meentShervin Nekuee. Hoewel?

Illustratie Veronique de Jong

Tot voor kort was jihadisme vooral een product van moslimbrandhaarden: de gang van Arabieren naar Afghanistan, van Tsjetsjenen naar Irak en van Algerijnse waaghalzen die in Somalië en Centraal Afrika meevochten. De afgelopen jaren heeft deze gewelddadige vorm van transnationaal politiek activisme onder moslims ook hier in Nederland een bloeiende markt gevonden. Onze politici, analytici en beleidsmakers weten er nauwelijks raad mee.

Dat zal niet veranderen als we vasthouden aan de twintigste-eeuwse opvatting over het verschijnsel immigratie. De vanzelfsprekendheid van een zich steeds herstellende maatschappelijke rust bij een continue stroom en aanwezigheid van immigranten, de zogenaamde melting pot, is voorgoed voorbij. Het zijn juist de tweede- en derde-generatie Nederlandse moslims met hun Randstadtongval en -trekjes die met tientallen naar Syrië en Irak trekken om te sterven voor een ideaal, die de doorsnee-inheemse Nederlanders wezensvreemd zijn.

Sociaal-psychologische analyses om extremisme te duiden, zijn nog steeds geënt op de lokale situatie, terwijl het internationale jihadisme voortkomt uit de eigentijdse (sociale) media.

Het is een dik aangezette Hollywood-romantiek, met de stoere heroïek van war games, die zo’n politieke aantrekkingskracht uitoefent op geïsoleerd levende moslimjongeren en die nationale grenzen overschrijdt.

Ouderwetse oplossingen

Het bestaande onderzoek en beleid, ooit ontwikkeld voor het bestrijden van crimineel en ordeverstorend gedrag van jongeren, is hopeloos micro- en wijkgericht. Ze neigen de groep te reduceren tot marginaal ontspoorde enkelingen die met iets meer toezicht en desnoods met een tijdelijk reisverbod tot bedaren kunnen worden gebracht. De gekozen oplossingen zijn ouderwets, met stage- en werkaanbod bij vroegtijdige schoolverlaters.

Al kunnen sommige gedragspatronen van jongeren die vatbaar zijn voor radicalisering overeenkomsten vertonen met die van kleine criminelen, hun motieven, hun geïdealiseerde waarden en hun sociale (media-)netwerken geven een volstrekt ander beeld.

Zij zijn transnationaal en utopisch gemotiveerd. Ze voelen zich verbonden met een groter ‘wij’ en beschikken over een groeiend en geolied netwerk, dat hun een collectieve identiteit voorbij nationale grenzen verschaft. Inmiddels vormen zij een hechte groep in Nederland.

En terwijl de bestrijding van radicaliserende moslimjongeren op dezelfde stapel terechtkomt van kleine criminaliteit, loverboys, drugshandel en verslaving raken we klem in de ‘dode hoek’ van beleidmakers. De spanning tussen de aard en werking van internationaal jihadisme versus de aanpak van Nederlandse beleidsmakers staat de ontwikkeling van een krachtige strategie om het jihadisme te bestrijden in de weg.

Nederlandse bestuurders willen de polderjihadisten niet als een politiek fenomeen zien. Geheel in de lijn van het oude integratiesjabloon kunnen ze de relatief kleine groep jihadisten gemakshalve beschouwen als afglijdende, marginale, onaangepaste en gevaarlijke probleemjongeren.

Zien we jihadisme wél als een politiek fenomeen, dan moeten we concluderen dat het de meest extreme vorm is van een veel wijder verspreid politiek onbehagen onder Nederlandse moslims jegens de dominante beeldvorming in de media. Ook de Nederlandse politiek is voedzame grond voor het ontstaan van jihadisme.

Tijdens de demonstratie tegen de Israëlische aanvallen in Gaza, in Den Haag afgelopen zaterdag waaraan honderden moslimjongeren deelnamen, wemelde het op de sociale media van de videoposts. Twee opvallende geluiden waren duidelijk te horen: ‘NOS, shame on you’ en ‘Timmermans, bloed aan je handen’ – een niet mis te verstane aanklacht tegen mainstream media en regerende politici.

Het internationale jihadisme vindt zijn oorsprong in de corrupte, nog altijd patriarchale, tribaal georganiseerde politieke cultuur van het Midden-Oosten. Daarnaast groeit een wijdverspreid onbehagen in de westerse moslimgemeenschap, een onbehagen dat begrepen moet worden in het licht van 9/11 en dertien jaren populistisch-islamofobisch politiek debat, met eerst Fortuyn en daarna Wilders.

Blinde solidariteit met Israël

Oorlog en menselijk leed in het Midden-Oosten zijn een bron van onbehagen onder moslimjongeren. Ze verwijten westerse landen laksheid bij het drama dat zich heeft voltrokken in Syrië. Nederlandse politici verwijten zij een op schuldgevoelens gebaseerde blinde solidariteit met Israël, en ook gebrek aan moed om terug te komen op schoothondjesgedrag jegens de regering-Bush jr. bij het niet-legitieme militaire ingrijpen destijds in het Midden-Oosten.

Maken we de overstap van het oude integratiedenken naar een internationaal perspectief, dan kunnen wij het jihadisme beïnvloeden met onze Nederlandse democratische tradities. Door pragmatisch met conflicterende belangen en minderheidsgroepen om te gaan, en daarbij de politieke representatie van minderheden en hun standpunten de ruimte te geven, kunnen we de ondergrondse radicalisering verkleinen en extremisme het hoofd bieden.

Verschaf de transnationalen en hun moslimsolidariteit een podium voor politieke vertegenwoordiging, net zoals de radicaal-linkse SP dat in de jaren 70 heeft kunnen ontwikkelen en, in onze tijd, het radicale neonationalisme van Wilders in deze decennia.

Stimuleer de jonge, opkomende politieke elite onder moslims om binnen onze democratische kaders hun onbehagen, de belangen en de grensoverschrijdende wensen van hun groep te uiten. Onderken en erken de sympathieën van moslims, laat hun ideeën binnen de Nederlandse politieke arena horen.

Daarmee haal je de bodem weg onder wervingsactiviteiten van internationale jihadisten in Nederland. Het is de ultieme manier om de radicale moslims te pacificeren – naar goed Nederlands gebruik.