Er is geen Nederlandse ‘Sonderweg’

Foto Katrijn van Giel

‘Nee, eigenlijk heeft Nederland niks bijzonders”, laat historicus Piet de Rooy zich halverwege het gesprek over zijn nieuwe boek Ons stipje op de waereldkaart ontvallen. Hij zit achter zijn bureau in de werkkamer van zijn huis in de Haarlemse binnenstad. Hier heeft hij de afgelopen jaren, na zijn afscheid als hoogleraar, zijn boek over ‘de politieke cultuur van modern Nederland’ geschreven.

In Ons stipje op de waereldkaart – de titel is de omschrijving die staatsman Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825) in 1796 van Nederland gaf – laat De Rooy zien dat het Nederlandse politieke bestel schoksgewijs en met conflicten tot stand kwam. Aan de hand van een aantal cruciale jaren en periodes, zoals 1848 en 1966, beschrijft hij hoe de politieke cultuur zich in de nieuwe natiestaat Nederland ontwikkelde.

In Ons stipje blijkt Nederland minder het land van redelijkheid en stabiliteit dan het denkt te zijn. Nederland was ook minder eigenzinnig dan gedacht: de geschiedenis van de politieke cultuur liep in de pas met de internationale ontwikkelingen.

In ‘Ons stipje op de waereldkaart’ schrijft u dat historici te weinig oog hebben voor de rol van het toeval. Wat is het grootste toeval in de Nederlandse geschiedenis van de afgelopen 200 jaar?

„Misschien wel dat Nederland een onafhankelijk land is gebleven. Als Napoleon niet zijn veldtocht tegen Rusland was begonnen, was Nederland nu een onderdeel van het Franse imperium. En als Hitler niet dezelfde fout had gemaakt, had Europa er ook heel anders uitgezien.”

In ‘Openbaring en openbaarheid’ uw afscheidsrede als hoogleraar in 2009, beweert u dat Nederland zichzelf slecht kent. Hoe ziet Nederland zichzelf?

„Nederland heeft een wiebelig zelfbeeld. Aan de ene kant is het heel tevreden met zichzelf en ziet het zich als het land van redelijkheid, overleg en tolerantie. Hierdoor beschouwt het zichzelf als een moreel voorbeeld voor de wereld en meent het andere landen de les te kunnen lezen.

„Aan de andere kant beseft het dat het een klein land van kaas en klompen is, dat Amerikanen en Chinezen het niet op de kaart kunnen aanwijzen. Het eerste beeld leidt tot zelfoverschatting, het tweede tot relativering en onderschatting. Het blijkt voor Nederland buitengewoon lastig om een evenwicht tussen beide te vinden.”

Vaak wordt de poldercultuur als bijzonderheid van Nederland genoemd. Twintig jaar geleden was Nederland met zijn overlegeconomie zelfs het gidsland voor de Amerikaanse president Clinton en de Britse premier Blair. U noemt het begrip poldermodel slechts één keer. Is Nederland dan geen polderland?

„In de gebruikelijke geschiedschrijving is Nederland een soort Texel dat weliswaar met een veerpont met de rest van de wereld is verbonden, maar toch vooral zijn eigen goddelijke gang is gegaan. Onderdeel van dit verhaal is dat Nederland wordt gekenmerkt door de poldercultuur. Die zou zijn voortgekomen uit de noodzaak om samen te werken om het land droog te houden. En die samenwerking zou vanaf het begin af aan min of meer democratisch zijn. Maar waterschappen waren in vroegere eeuwen allerminst democratisch en werden bestuurd door elites.

„Zeker, in Nederland werd minder hard opgetreden tegen andersdenkenden dan elders in Europa. Zo mochten katholieken hun missen houden in schuilkerken. Maar het werk van Verlichtingspionier Spinoza werd pas na zijn dood gepubliceerd. En vergeet ook niet dat tot 1796 openbaar-bestuursfuncties alleen door calvinisten mochten worden bekleed.

„Ik ben aan het verhaal over de Nederlandse Sonderweg gaan twijfelen door het lezen van De la démocratie en Amérique van Alexis de Tocqueville uit 1835. Daarin noemt hij een paar kenmerken van kleine landen in het algemeen. Die hebben bijvoorbeeld te weinig inwoners om een machtsfactor in de wereld te zijn en ook te weinig mogelijkheden om hun bevolking te voeden. Daardoor zijn ze afhankelijk van handel en goede externe relaties en kunnen ze zich geen grote mond permitteren. Dit brengt ook een grote sociale controle, gelijkmatigheid en kleinburgerlijk gedrag met zich mee. Kleine landen zijn daarom ook niet ambitieus en hebben een vlakke geschiedenis.

„Dit gaat allemaal op voor Nederland. We hebben bijvoorbeeld geen feodaal-militaire traditie, geen noblesse d’épée (oude geslachten die hun adeldom ontlenen aan militaire functies, red.), zoals in Frankrijk. Het heeft nooit een groep gepatenteerde onruststokers gehad. Nee, eigenlijk heeft Nederland niks bijzonders.”

Een van de treffendste passages in ‘Ons stipje’ is de rede van de predikant-politicus Abraham Kuyper in 1869 tegen de eenvormigheid van Nederland. Die lijkt wel een hedendaagse tirade tegen de gelijkmakende effecten van globalisering.

„Ja, hij verfoeide de saaie rechte straten en uniforme huizenblokken die hij zag oprukken in de steden. Kuyper is een scharnier in de ontwikkeling van onze politieke cultuur. Hij stelde vast dat de modernisering van Nederland in veel opzichten een verlies aan eigenheid met zich meebracht en betreurde dit. Hij vond de diversiteit en het verschil van meningen onontbeerlijk voor Nederland: eenheid in verscheidenheid. Hij richtte daarom de Anti-Revolutionaire Partij op, de eerste politieke partij in Nederland, en ook de Vrije Universiteit en de Gereformeerde Kerk.”

Hiermee legde Kuyper de basis voor de verzuiling. Is de verzuiling dan niet iets dat Nederland bijzonder maakte?

„Sinds Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek van Arend Lijphart uit 1968 is het verhaal dat Nederland verschillende, van elkaar gescheiden en rivaliserende bevolkingsgroepen kende waarvan de elites politieke akkoorden met elkaar sloten. Maar uit recenter onderzoek als dat van Hans Blom blijkt dat de verzuiling niet zo diepgaand was. Kuyper heeft bijvoorbeeld de grootste moeite gehad om iets te maken dat op een zuil leek. Met veel inspanning creëerde hij een calvinistisch volksdeel, niet omgekeerd.

„Het is ook nooit helemaal duidelijk geworden waaruit de drie zuilen – protestants, katholiek en algemeen – nu precies bestonden. Eigenlijk vormden alleen de katholieken een duidelijke zuil. De ‘algemene zuil’ was niet meer dan een restcategorie: niet katholiek en niet protestant. Voor zover er een algemene zuil heeft bestaan, is dat een bureaucratische constructie van de overheid geweest voor bijvoorbeeld de omroepwereld. Een groot deel van de Nederlandse bevolking behoorde dan ook niet tot een van de zuilen. En in tal van steden en regio’s speelde de verzuiling nauwelijks een rol.”

U noemt Nederland een modern conservatief land. Dat strookt ook niet met onze aloude reputatie van vooruitstrevend land met een uiterst liberale wetgeving inzake euthanasie en coffeeshops.

„De grondlegger van het moderne conservatisme, Edmund Burke, zag al in dat je je moet aanpassen aan de veranderende wereld en omstandigheden om te behouden wat je hebt en waardeert. Dat heeft Nederland steeds gedaan. Kuyper was bijvoorbeeld geen reactionair maar een moderne conservatief. Om de door hem zo geliefde diversiteit te behouden, maakte hij gebruik van moderne middelen zoals een krant en een politieke partij. Zo werd de conservatief Kuyper een steunpilaar van de democratisering van Nederland.”

Toch is in het modern conservatieve Nederland nooit een modern conservatieve partij van de grond gekomen.

„De confessionele partijen hebben voorkomen dat er een conservatieve partij ontstond. In de 19de eeuw had er een niet-religieuze partij kunnen ontstaan die opkwam voor een land met een homogeen volk onder leiding van een welwillende vorst, die van inkomsten wordt voorzien door de opbrengsten van de koloniën. De eerste politieke partij van Nederland, de ARP, was conservatief maar week op één punt af van de conservatieve trits: onder leiding van Kuyper koesterden de antirevolutionairen juist de diversiteit. De partij wilde geen algemeen onderwijs voor het homogene volk maar bijzonder onderwijs zodat de calvinistische kinderen in de vreze des Heren werden onderwezen.

,,Bij de katholieken ging de geloofseenheid boven alles. Om nog enigszins voet aan de politieke grond te houden moesten de niet-religieuze conservatieven en vooruitstrevende liberalen wel met elkaar samenwerken. En dus heeft Nederland nooit een echt conservatieve partij gekregen. Dit is overigens weer niet typisch Nederland: Duitsland heeft ook geen algemeen conservatieve partij, maar, vooral in de Beierse CSU, slechts conservatieve christen-democraten.”

Opvallend genoeg beschouwt u het einde van de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw niet als een cruciale tijd. Terwijl Nederland toen van gedaante veranderde: in de architectuur en stedenbouw brak het modernisme door.

„Van Eesterens modernistische Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) voor Amsterdam werd inderdaad richtinggevend voor Nederlandse stedenbouw. Maar het AUP dateert van ruim vóór de oorlog. Dit geldt ook voor de verzorgingsstaat die na 1945 verder werd uitgebouwd. De fundamenten daarvoor werden gelegd door een reeks van wetten die omstreeks 1900 zijn ingevoerd, zoals de Woningwet van 1901. De invoering van de belangrijkste sociale wet, de AOW, door vadertje Drees in 1947, gebeurde bovendien op basis van een noodwet. Het zou nog tien jaar duren voor de AOW een echt wettelijk recht werd.

„Maar het belangrijkste is dat de ‘doorbraak’ mislukte: de poging om na de oorlog het Nederlandse politieke bestel grondig te veranderen strandde. Na 1945 kende de politiek vrijwel dezelfde partijen als vóór 1940.”

De jaren zestig komen wel voor in uw boek, maar u beschrijft de politieke veranderingen vooral als oude wijn in nieuwe zakken: de provo’s borduurden voort op het goede, oude anarchisme en communistische studenten stoften Marx af.

„De veranderingen van de jaren zestig zijn vooral cultureel. Voor het eerst werd het mogelijk om je leven persoonlijk vorm te geven. Je hoefde niet meer hetzelfde werk te gaan doen als je vader. Ook de verhoudingen tussen mannen en vrouwen en tussen de generaties veranderden grondig. Maar een nieuwe politieke ideologie kwam er niet: er werd weinig nieuws beweerd. Eigenlijk is het me nog steeds een raadsel waarom de jaren zestig voor de politieke orde zo weinig hebben betekend.”

Ook nu Nederland met de PVV een grote populistische partij heeft, staat het niet alleen. Denemarken, België en Frankrijk hadden er eerder al een. Maar het populisme brak wel laat door in de Nederlandse politiek. Hoe verklaart u dat?

„Hans Janmaat, in de jaren tachtig het kamerlid van de Centrumpartij dat vond dat Nederland vol was, was geen charismatische politicus. Ook ging het in de jaren negentig economisch goed in Nederland waardoor de onvrede in de volkswijken binnen de perken bleef. Bovendien rustte er, uit schuldgevoel over de Tweede Wereldoorlog, een taboe op populisme. Wie het allochtonenvraagstuk aankaartte, werd al gauw voor fascist uitgemaakt.”

Maar dat taboe is plotseling verdwenen. Verschillende partijen hebben de populistische agenda het afgelopen decennium zelfs deels overgenomen. Uw opvolger als hoogleraar, James Kennedy, ziet in de plotselinge en massale ommezwaaien een kenmerk van Nederland.

„Nederland doet me vaak denken aan die scène uit Life of Brian, waarin Brian, die geen sekteleider wil zijn, zijn volgelingen voorhoudt dat ze zelf moeten nadenken en allemaal individuen zijn. En dan antwoorden ze massaal, uit één keel: ‘ Yes, we’ re all individuals’, al zegt er één: ‘I’m not.’

„Iets soortgelijks zag je na de jaren zestig. Voor het eerst was het mogelijk om je eigen leven vorm te geven en wat gebeurde er? Iedereen ging dezelfde spijkerbroeken dragen en zette zijn huis vol met dezelfde meubels. Maar ik vrees dat ook dit niet typisch Nederlands is. De Tocqueville wees er al op dat kleine landen sterk zijn gericht op het creëren van conformisme.”