Dramatisch en meeslepend, van Sumatra tot Muiderberg

De overgrootmoeder van Pauline Broekema was zeventien toen ze, in het stadhuis van Muiden, ‘met de handschoen’ trouwde. Het was 1883. Jannetje ter Beek-Post reisde haar man achterna, naar het verre Sumatra, waar hij al tien jaar een tabaksplantage runde. Het Indische avontuur duurde voor Jannetje maar kort. Haar echtgenoot werd ziek. Hij kon de tropische omstandigheden niet meer aan. Ze keerden terug naar Muiderberg, toen nog aan de Zuiderzee. Elf jaar en vier kinderen later was Jannetje weduwe. Een tweede huwelijk zat er niet in. Ze maakte twee wereldoorlogen en heel wat persoonlijke ellende mee voordat ze in 1957, op 91-jarige leeftijd stierf.

Jannetje vormt een van de rode draden in Het Boschhuis, de omvangrijke kroniek die Broekema wijdde aan haar familie. Via Jannetje, opa Juul en moeder Joke belanden we min of meer in onze tijd. Broekema komt zelf in het stuk niet voor, behalve als verteller. Heel af en toe klinkt in deze familiegeschiedenis de wat precieuze stem door van de NOS-verslaggeefster, als ze woorden gebruikt als ‘bijkans’, ‘dwaas’ en ‘reeds’, of als ze net iets te royaal uitweidt over sommige Bilthovenaren of Muiderbergers, over het natuurschoon op Vlieland of over de acties van een Gooise verzetsgroep. Maar voor het overige valt er op haar toon en stijl weinig aan te merken: levendig, helder en smeuïg, met een fijn oor voor plaatselijke uitdrukkingen. Over een losbandige oom wordt opgemerkt dat hij soms ‘wat los voor de kar’ kon zijn.

Alleen al het meeslepende Indische deel, over de rauwe tabaksplanterscultuur op Sumatra, en trouwens ook de avontuurlijke boottocht daar naartoe, maakt het boek de moeite waard. Broekema weet vervolgens ook mooie en interessante verhalen te vertellen over de lotgevallen van een dappere joodse non, de innige vriendschap tussen opa Juul en wereldverbeteraar Kees Boeke, de knullige mobilisatie van 280.000 Nederlandse soldaten in 1939, de onttakeling van het Boschhuis door de bezetters en de terechtstelling van verzetsman Pieter ter Beek, een oom van Broekema, in 1944.

Die terechtstelling wordt honderden bladzijden lang zorgvuldig voorbereid. Het is de dramatische kurk waar deze kroniek op drijft. Al het voorafgaande komt erdoor in een ander licht te staan. Het geploeter in de oerbossen van Sumatra. De manhaftige pogingen in Bilthoven en omstreken om de mensheid op een hoger plan te brengen. Alles vergeefs, zo lijkt het.

De vrome Jannetje, grootmoeder van de gefusilleerde Pieter, zegt steeds dat Gods wil wet is en dat alles moet worden aanvaard zoals het is, maar is dat ook zo?

Het was vast geen toeval dat het zo donderde en bliksemde bij haar begrafenis. Als we Broekema mogen geloven werd er nog jarenlang ‘vol huiver en ontzag’ over nagepraat. Jannetje gaf een teken. Ze was het er toch lang niet altijd mee eens, begrijpen we. En terecht.