Coke voor de prijs van een cola

Iris Hannema (1985) reisde alleen de wereld over. Haar moeder nam stiekem screenshots tijdens hun Skype-sessies. De komende weken schrijft Iris over die gesprekken en haar reis. Deze week aflevering 2: Ecuador.

Volgens mij heette hij Carlos, een van de barmannen van het hostel. Ik was expres buiten voor de deur gaan zitten om even rustig te Skypen, maar hij wilde per se naar mijn moeder in Holland zwaaien. „Wat een mooie moeder heb jij!” riep hij kwijlend. „Mam”, zei ik, „de barman vindt je een lekker wijf”. Dat vond ze wel geestig. Door de slechte internetverbinding bestond ze uit traag bewegende lichtvlekken en pixelvierkantjes.

Links op de foto staat het krijtbord waar iedere dag weer een nieuwe ‘twee cocktails voor de prijs van één’ op stond, want het was een hostel mét bar. Er gebeurde van alles in El Cafecito (‘Het Koffietje’) en ik ben er een maand gebleven. Al was ik bijna niet meer weggegaan.

Ik was een beetje verliefd op de andere barman, Eduardo, maar die had een vriendinnetje. In Latijns-Amerika maakt dat niet veel uit, dus deden we het gewoon stiekem. Kwam zijn mooie vriendinnetje binnen, dan keek ik de andere kant op en ging druk Spaanse werkwoorden stampen. Ik geloof niet dat ik mijn moeder dit allemaal verteld heb trouwens.

Beroofd

Ik herinner me dat er meerdere mensen in het hostel logeerden die geen geld of paspoorten meer hadden, allemaal op straat beroofd. Een Pools meisje zat er al weken in de hoop dat haar verdwenen kitesurfboard weer zou opduiken en de dag ervoor zijn de rugzakken van een Frans stel uit deze voortuin gejat. Om het hostel heen lagen dikke oranje muren met een ijzeren hek dat overdag ondanks alle berovingen gewoon openstond. Ik zat rustig met mijn laptop in de tuin, ik voelde me immuun voor Ecuadoriaanse rovers. En dat bleek ook zo te zijn: mij overkwam niks. Om niet beroofd te worden ging ik de straat op met niets op zak: geen camera, geen telefoon, nauwelijks geld en een trui met capuchon over mijn hoofd (ik liep er expres een beetje stoer bij).

Van de privéles Spaans drie weken lang, vijf dagen per week heb ik werkelijk niets opgestoken. ’s Avonds werd er flink cocaïne gehandeld, te koop bij dezelfde barmannen van het hostel. Het lichtblauwe poeder was zo goedkoop als een blikje cola en zo puur dat je er direct een bloedneus van kreeg. Ik was in ieder geval by far niet de enige die met een foeilelijke John Lennon-achtige bril met knalblauwe glazen rondliep in de nachtclubs van Quito. Uiteindelijk werd ik heel erg moe van mezelf. Aan de bar van dit hostel Cafecito las ik op een ochtend een artikel in de krant over een Britse oud-legerkapitein die de hele Amazone had afgewandeld. Ik hou absoluut niet van hiken, maar varen leek me wel wat, en voilà: ik vertrok niet lang daarna met een hangmat richting de Amazone en voer in de maanden erna op vrachtschepen de hele Amazonerivier, vijfduizend kilometer bruinrivierwater, af.