Als dit de echte wereld niet was, wat dan wel?

Er valt een knipsel uit Canto General. Of eigenlijk een kopie uit de autobiografie van Pablo Neruda, Ik beken ik heb geleefd, waarin de Chileense Nobelprijswinnaar vertelt over zijn ontmoeting met Che Guevara, die zijn guerrilleros ’s nachts voorlas uit Canto general in de Cubaanse Sierra Maestra. Samen met ‘een rekenboek’ had hij het altijd bij zich in zijn rugzak. Waarschijnlijk is dat de reden waarom ik daarna (op 5 juli 1989) zelf dan ook maar Canto general ben gaan lezen, 600 bladzijden en tienduizenden versregels aan Latijns-Amerikaanse liefde en strijdbaarheid, waarin de hele geschiedenis van dat continent – van de schepping tot 1950 – gevat moest worden. Dat wilde ik meemaken: ik wilde de echte wereld ontdekken en als dit de wereld niet was, wat dan wel?

Niet dat ik het uit kreeg. Ergens bij pagina 150 kwam de boekenlegger tot stilstand in het kleine baksteentje van pocketuitgever Maarten Muntinga. In bewondering, maar toch. Er is een grens aan de hoeveelheid stenen en zaden, planten en tranen, helden en boeven die een mens kan verstouwen. Wat Neruda in Canto General wil vertellen is een politieke en sociale waarheid: ‘Toen op de plaats/ waar de vermoorden vielen,/ bogen de vlaggen om het bloed op te vegen/ om zich daarna weer op te richten tegen de moordenaars’. Zet ’m op, rechtvaardigen der aarde!

Als je stug doorleest ontmoet je soms de briljante dichter Neruda (die van de Twintig liefdesgedichten en een wanhoopszang) wanneer hij het schuim om de woelige Amazone losjes ‘sperma’ noemt, of wanneer hij de ‘ontdekking’ van Cuba beschrijft als een gruwelijke verkrachting. Of, tegen het einde: ‘Op deze eerste natte donderdag trekt een dag/ vol damp boven de heuvels zijn grijze traliewerk op./ Dit is de donderdag van het kleine zaaigraan/ dat de hongerige boeren in hun zakken opspaarden: / vandaag zullen ze haastig de grond omspitten en daarin/ hun korrels groen leven storten.’ Dat groene leven is overdreven, maar de donderdag van het kleine zaaigraan en – vooral – het haastige spitten zijn mooi.

‘De intelligentie was met een ijzige draad/ de dag achter het bloed aan het spinnen’, schrijft Neruda – en dat is het beeld dat ik aan Canto General overhoud: hier wordt geprobeerd om de poëzie in te zetten waarvoor die niet is bedoeld. Een gedicht moet geen vlag zijn, niet om bloed mee op te vegen, niet om de goede strijders aan te vuren. Ik word steeds benieuwder naar het andere boek dat Che in zijn ransel had: het rekenboek. Zouden daar opgaven in hebben gestaan waarbij het antwoord niet is bijgeleverd? De echte raadsels?