Column

Weinig spraakzaam

Toen de serveerster het schaaltje met bitterballen voor me had neergezet, zei ze werktuigelijk: „Geniet ervan.” Het klonk nog net niet als een bevel, eerder als een soort opdracht of advies: geniet er nou maar van, want voor je het weet lig je in je kist.

Ik keek er niet meer van op, want je kunt het tegenwoordig overal verwachten, of je nou een haring koopt of bij de VVV een fietskaart. Ze hebben het volgens mij in de horeca uitgevonden; daar begrepen ze als eerste dat je als uitbater niet hoeft te volstaan met het roepen van „Fijne dag!” bij het afscheid, maar dat er ook nog een tussenstation mogelijk is.

Ik heb me weleens voorgenomen om terug te zeggen: „Dat maak ik zelf wel uit.” Maar dat klinkt meteen zo chagrijnig, terwijl je dat op dat moment misschien helemaal niet was. Bovendien kan het personeel het ook niet helpen – dat wordt zo geïnstrueerd. Dus knik je maar een beetje schaapachtig.

Dit alles zat ik enigszins moedeloos te overdenken toen twee stellen, twintigers nog, onafhankelijk van elkaar plaatsnamen op het balkon dat langs de gevel van het restaurant liep. Vandaar hadden zij een adembenemend uitzicht op de binnenstad van Amsterdam. Wij werden van elkaar gescheiden door een glazen wand. Zij zaten buiten in het avondzonnetje, ik binnen, inmiddels met een bitterbal tussen mijn kaken die zó gloeiend heet was dat er voorlopig weinig te genieten viel.

De eerste die mijn aandacht trok was de zwartharige vrouw van het stel dat aan de rechterkant had plaatsgenomen. Dat gebeurde pas toen ze haar spaghetti zat te eten. Ze deed dat zo onberispelijk dat ik er met bewondering naar moest kijken. Ze draaide de spaghetti met haar vork telkens vaardig rond op haar lepel om hem vervolgens als een gaaf kunstwerkje in haar mond te stoppen. Zelf houd ik altijd lange slierten over die uit mijn mond piepen, terwijl ik me van schaamte diep voorover moet buigen.

Terwijl ik naar haar zat te kijken, viel me op hoe weinig blijken van intimiteit er tussen haar en haar vriend waren. Hij had even over haar zij gestreken, maar toen weer snel voor zich gekeken, alsof hij dacht: zo is het wel genoeg voor vandaag. Zij was eenmaal opgestaan om naar het toilet te gaan en had hem toen een kus op de mond gedrukt, wat hij met een zekere gelatenheid had ondergaan. Er werd verder niet veel gezegd.

Hetzelfde patroon zag ik bij het stel aan de linkerkant. Zij was blond en mooi, met lichte, sprekende ogen, hij een rustige, weinig spraakzame man. Ze zaten naast elkaar, maar raakten elkaar nooit aan, hoewel haar mimiek er steeds om leek te vragen. Sommige mannen lijken niet te weten hoe ze het gesprek met een vrouw gaande moeten houden. Waar moeten ze het over hebben? Voetbal, politiek – maar dan?

Zou zo’n vrouw nooit eens denken: hij is een goed mens, maar saai, zó saai – hoe houd ik dat een leven lang vol? Moet ik niet eens naar een ander omkijken? Of zijn ze allemaal zo?

Pas toen ik de volgende dag aan het tafereel terugdacht, schoot me het voorval met Yvette te binnen, een kantoorcollega van lang geleden. Ze zou over enkele weken trouwen met Wim, een lange, beleefde man die haar elke dag op kantoor trouw kwam afhalen. Op een dag, we zaten in een café wat te drinken, vertrouwde ze me toe: „Ik doe het niet. Ik verveel me bij hem.”

Ze hield voet bij stuk, trouwde een ander en leefde nog lang en, hoop ik, gelukkig.