‘Oostenrijk is een kleinere versie van Duitsland’

Deze zomer kruipen onze correspondenten in de rol van factchecker. Ze behandelen een groot misverstand over hun land. Vandaag: Oostenrijk

Als de Duitse minister van Financiën in het Europarlement is uitgesproken, vraagt daarna bijna altijd zijn Oostenrijkse collega het woord en meldt: „Ik ben het met de vorige spreker eens.” Of het nu gaat om leningen aan Griekenland of begrotingsdiscipline, over veel Europese financiële issues zijn de Oostenrijkers het de Duitsers eens.

Dat veel buitenstaanders denken dat Oostenrijk een beetje Duits is, is niet vreemd. Beide landen spreken dezelfde taal, hebben een tot op zekere hoogte gemeenschappelijk oorlogsverleden en zien er op het eerste gezicht min of meer hetzelfde uit. Rijd van Italiaans Tirol Oostenrijks Tirol binnen, en alles is opeens aangeharkt. Er staan tuinkabouters. Bomen zijn getrimd. Overal staan hekjes omheen. Ordnung muss sein.

Ze geloven niet in politiek..

Voor mensen die Oostenrijk van dit cliché kennen, is dit land een waanzinnig avontuur. Want in dit geordende decortje gebeuren de gekste dingen, die je in de verste verte niet met Duitsland associeert. Allereerst windt niemand zich op over Grieken of eurocrisis. Oostenrijkers kijken niet naar Brussel. Brussel is politiek en daar geloven Oostenrijkers niet in – noch binnenlands, noch Europees. Oostenrijkers kijken zuidoostwaarts. Naar de Balkan, Italië, Oekraïne. Daar verdienen ze hun geld. Veel geld. Als ze het over ‘crisis’ hebben, bedoelen ze politieke spanningen in Bosnië of de Krim. Dat is het Oostenrijkse achterland. Honderd jaar geleden hoorde dit bij het Habsburgse Rijk. Sinds de val van de Muur is het, in zakelijk opzicht althans, wéér een beetje Oostenrijks. Niemand heeft zo van de EU-uitbreiding geprofiteerd als Oostenrijkse zakenlui. Ze stroomden direct de nieuwe landen in. Dat ze de plaatselijke mentaliteit beter begrepen dan Britten of Duitsers, en soms nog familiebanden hadden, was een groot pré.

Vinden Duitsers maar humorloos..

Wenen is de tweede Servische stad na Belgrado. Wie Duits, Engels, Frans én Spaans spreekt, begrijpt veel conversaties in de Weense metro niet. Wie een weekend naar Friuli gaat, in Noord-Italië (eens óók Habsburgs), struikelt over Oostenrijkers. Daar voelen ze zich thuis. De ‘Duitse’ regelzucht koesteren ze als tegenwicht, als anker, om niet uit het lood te slaan – verder zien Oostenrijkers Duitsers zoals Belgen Nederlanders: inflexibel, moralistisch en humorloos. Oostenrijkers zijn bourgondiërs. Ze drinken wijn bij de lunch, waarderen comfort. Netwerken zijn hier alles. En politiek gaat alles onder de tafel.

De twee grootste partijen, die in de jaren dertig een burgeroorlog uitvochten, vormen uit angst voor meer politieke ongelukken al een halve eeuw coalities. Niemand gelooft erin, de coalities zelf al helemaal niet. Maar voor onzekerheid – en kans op conflict – zijn Oostenrijkers banger. ‘Consensus’ en ‘stabiliteit’ zijn er sleutelwoorden. De lieve vrede bewaren, neutraal zijn, is ’s lands obsessie.

En hebben zelf een modderig gevoel

Daarom wordt de Russische president Poetin hier gewoon ontvangen. Daarom worden Oostenrijkse banken, die zich in Oost-Europa hebben overeten, trager schoongeveegd dan ING of ABN Amro: ze zitten vol politieke benoemingen. Laatst maakten Oostenrijkse parlementariërs voor het eerst lijstjes over bijverdiensten (volgens de OECD is dit een van de minst transparante landen van Europa). Slechts een kwart van hen bleek níet bij te verdienen.

Dit alles geeft veel Oostenrijkers een modderig, stroperig gevoel. Alsof er nooit iets verandert. Geen wonder dat protestpartijen als de FPÖ zoveel potentieel hebben. Gelukkig zit Wenen nog vol psychiaters. En theaters, en balzalen. Daarvoor komen bontstola’s en avondjurken nog steeds uit de kast. Verkleden en camoufleren vinden Oostenrijkers opvallend leuk. In deze voormalige Hofcultuur met operettetraditie is het tweede natuur. Of dit het leven draaglijk maakt, daarover is altijd discussie. Maar een ding is zeker: er is geen spatje Duits aan.