Laat elke hoop varen in Betondorp

Twee weken woonde ik in Betondorp, een arbeiderswijk aan de rand van Amsterdam. Vanaf het balkon communiceerden we met de slechthorende overbuurvrouw. Wapperen met de handen betekende: regen op komst.

„Laat elke hoop varen, gij die hier opgroeit”, zei Gerard Reve over de wijk waar hij met zijn broer Karel woonde en die hij ‘Cementdorp’ noemde. Johan Cruijff, Willeke van Ammelrooy en Nescio kwamen hier ook vandaan, maar een nieuwe lichting bekende Nederlanders zie ik er niet snel vandaan komen: de meeste inwoners zijn er ongeveer zo oud als de huizen zelf. Het omgekeerde kon natuurlijk wel: dat je er redelijk succesvol in ging en er nooit meer uitkwam.

Hier gebeurde niets, behalve als je het vuilnis een dag te vroeg buiten zette, en dat beviel de inwoners wel. Wat opviel, was het betonnen gevoel voor humor waarmee de meesten behept waren.

„Loopt de winkel een beetje?”, vroeg ik de man van de buurtsuper, die dropjes in plastic zakjes aan het stoppen was.

„Nee, hij staat stil.”

Hij legde de grap uit.

„Winkels zijn gebouwen, gebouwen bewegen niet.”

De ober in café-restaurant ‘De Avonden’, genoemd naar het beroemde boek begroette iedere gast met de woorden: „Zo, zware nacht gehad?”

Op het terras bleek dat er een kern van waarheid in zat.

„Je moet altijd eten voor je gaat drinken”, hield een man met een enorme buik een vrouw voor, die een poes die op een kleedje onder haar stoel lag, aaide. „Mijn zoon drinkt altijd op een lege maag. Hij wil die tinteling voelen, het kan ’m niet snel genoeg gaan.”

„Ik drink bijna niet meer”, antwoordde de vrouw. „Maar als ik drink, gaat de krat leeg.”

„Logisch”, zei de man, waarna de vrouw vanuit het niets overschakelde op haar poes.

„Kijk dan”, zei ze, terwijl ze het beest omhoog hield, „achterpootje stuk. Ik ben blij dat ik ’m verzekerd heb.”

„Mijn hond is ook verzekerd”, zei de man, „maar die heeft nooit wat. Heb ik weer.”

Zo kon je iedere overwinning in een nederlaag veranderen.

Ik rekende de dubbele espresso af bij de ober, die vertelde dat het café vroeger Meerzicht heette omdat ‘De Meer’, het oude voetbalstadion, aan de overkant lag. Hij had hoge verwachtingen van de nieuwe naam, „een ode aan een boekenschrijver uit de buurt”.

Op de Middenweg passeerde een ambulance met gierende sirene.

De ober: „U had een taxi besteld?”