Kunst die je juist wel moet aanraken

Lygia Clark stopte in het midden van haar carrière met het maken van kunst. Juist over die stap van deze Braziliaanse kunstenaar gaat de tentoonstelling ‘The Abandonment of Art’ in het MoMA in New York.

Lygia Clark in 1986 met een masker, gemaakt van textiel en elastiekjes Foto Sergio Gerardo Zalis

Kinderen spelen wel eens een spelletje waarbij je geblinddoekt allerlei voorwerpen en substanties te voelen krijgt, van fluweel tot boter. Ik verlang wel eens naar dat spelletje. Volwassenen raken bijna alleen elkaar aan, en dan nog vrijwel uitsluitend voor seksuele of klinische handelingen. Nooit zomaar fluweel. Nooit boter. Misschien nemen mensen daarom wel een huisdier: om te voelen zonder bedoeling.

In een museum valt meestal helemaal niets te voelen. Het zintuig dat daar van oudsher vooral bediend wordt, is het oog. Suppoosten zien erop toe dat mensen hun handen thuishouden, ook als het gladde marmer van Brancusi erom vraagt door een wang gevoeld te worden of een mobile van Calder in beweging geblazen wil zijn. Sublimatie is het enige wat erop zit.

Op de tentoonstelling van Lygia Clark in het Museum of Modern Art in New York is het aanvankelijk gewoon, zoals we het gewend zijn. Schilderijen hangen er, eerst figuratief, dan abstract, beïnvloed door Malevitsj en Mondriaan, geschilderd in de jaren 40 en 50. Niets aan de hand. Het avontuur beperkt zich tot het doek, en dat avontuur is klein; als het hierbij gebleven was, zou deze Braziliaanse kunstenares (1920-1988) nu geen grote overzichtsexpositie in een van de meest prestigieuze musea ter wereld hebben gehad. Daar blijft het dan ook niet bij. Al snel breekt Clark door de grenzen heen, eerst met kleine sculpturen, dan met beweging. Haar ‘bichos’ zijn bedoeld om aan te raken. Het zijn sculptuurtjes van dunne plakken aluminium die dankzij scharnieren van vorm kunnen veranderen – een beetje. De meeste staan opgesteld op witte plateaus, maar drie zijn in witte bakken geplaatst waar de bezoekers ze mogen manipuleren.

Het blijft een nieuwigheid, ook al is Clark lang niet de enige kunstenaar die in de jaren 60 het schilderij verlaat en naar andere manieren zoekt om kunst levendiger te maken. Maar vijftig jaar later is dit soort werk, in ieder geval in een instituut als het MoMA, nog steeds in de minderheid, zozeer dat de meeste bezoekers niet kunnen geloven dat ze echt aan de beestjes mogen zitten. Slechts een enkeling probeert het. Of zou die onwilligheid geen onwennigheid zijn maar aangeven dat de weg die Clark insloeg uiteindelijk dood is gelopen? Bezoekers hebben misschien gewoonweg geen zin die dingen aan te raken: ze komen niet om te participeren maar om te consumeren, niet om mee te doen maar om te ondergaan.

Ik beweeg de diertjes wel, maar het levert geen grote bevrediging op. Het ene standje is niet beter dan het andere. De bichos houden de status van voorstel, alsof dit slechts vingeroefeningen zijn voor een grote verandering die nog komen moet, net als een schilderij van Malevitsj of Mondriaan. Voor Mondriaan waren zijn schilderijen een soort vooraankondiging van een wereld waarin die schilderijen niet meer nodig zouden zijn: de hele wereld zou zijn vormgegeven volgens de principes van zijn stijl. Zo zou je Clarks bichos ook kunnen zien; als vooraankondigingen van kunst die echt interactief is.

Zegetocht

Ook de bichos zijn nog niet de reden dat Clarks werk nu in het MoMA gevierd wordt, het voorlopig eindpunt van een zegetocht die eind jaren 90 begon, toen haar werk te zien was op de Documenta in Kassel. Clark ging verder. In de laatste zaal van de expositie in het MoMA liggen objecten die nog aandoenlijker zijn dan de bichos. Ze zijn gemaakt van alledaags materiaal, touw, elastiekjes, plastic zakjes, rubberen handschoenen, dingen die door hun ouderdom wel een zeker patina hebben verkregen maar toch nog verbazen door hun banaliteit. Het zijn ook geen kunstwerken meer, maar hulpmiddelen. Clark maakte ze om door haar en door anderen gebruikt te worden. Ze noemde ze ‘relationele objecten’.

Aan de muur ogen de voorwerpen wat verloren, maar dan rijdt een man een karretje de zaal binnen waarop replica’s liggen. Hij doet onopvallend voor wat je ermee kunt doen. Ik krijg een plastic zakje gevuld met lucht in mijn handen. Er hoort een steen bij, die je door in de zak te knijpen van plaats kunt laten veranderen. Hier lukt beter wat de bichos al beloofden, dit is kunst die meer dan het oog beroert. Het is alsof je geen poëzie leest maar doet. Hetzelfde gebeurt als je een zak met water en schelpjes beweegt en een buis laat ademen, als een schelp die je tegen je oor houdt. Jammer dat deze taal niet door meer kunstenaars wordt gesproken; jammer dat zo weinig mensen de steen durven aan te raken.

Niet alle acties van Clark zijn zo poëtisch en eenvoudig als Steen en lucht uit 1966. Sommige voorstellen, zoals zij deze kunstacties noemde, lijken nogal smerig. Kannibalistisch kwijl was bijvoorbeeld een actie waarbij mensen draadjes in hun mond moesten nemen en die vervolgens op iemand moesten spugen, net zolang tot hij door een web bedekt was. Clark voerde deze actie begin jaren zeventig uit in Parijs, met studenten aan de Sorbonne, waar ze les gaf in ‘non-verbale communicatie’. Van elastiekjes maakte ze met deze studenten ook netten, waarin ze dan samen verstrikt waren.

Lichaamstherapie

Eind jaren 70 stopte Clark helemaal met het maken van kunst. Ze zette haar objecten in voor een soort lichaamstherapie, waar volgens Clark zelf vooral mensen met een borderlinestoornis baat bij hadden. Deze ontwikkeling heeft de tentoonstelling haar naam gegeven: The Abandonment of Art. Dat Clark aan het eind van haar leven weer terugkeerde naar de kunst wordt in het MoMA een beetje weggemoffeld. Het verlaten van kunst wordt hier, in deze kunsttempel, gepresenteerd als een even huiveringwekkende als aanlokkelijke mogelijkheid, een soort kamertje van Blauwbaard. Alsof het zo móést eindigen. Alsof de weg hier echt doodloopt.

„Het ware streven van kunst moet zijn de behoefte aan kunst te verminderen”, schrijft Alain de Botton aan het slot van zijn recente boek Kunst als therapie, dat als project nu in het Rijksmuseum te zien is. „We moeten ernaar streven die idealen te bereiken die kunst, hoe fraai en overtuigend ook, slechts symboliseert.” De ideeën van Clark lijken dezelfde grondslag te hebben als die van de Britse filosoof, hoe verschillend de uitwerking ook mag zijn. Gelukkige mensen hebben geen kunst nodig, zoals gezonde mensen geen medicijnen hoeven te slikken.

In het MoMA wordt niet uitgelegd hoe de therapeutische sessies van Clark nu precies in hun werk gingen. Wat deed Clark met haar cliënten? In de catalogus is daar iets meer over te lezen. Clark ontving ze in haar huis in Rio de Janeiro en was per patiënt een paar uur bezig. Ze liet zware en zachte kussens op verschillende lichaamsdelen rusten, beroerde ze met stenen, plastic zakjes, touw, lucht, druppelde honing in hun mond. Ik zou het graag hebben ondergaan, als een soort kunst voor de huid in plaats van het oog. Kunst om naar te blijven verlangen. Geen sublimatie.