Hulp aan deportatie was deels onrechtmatig

Voornaamste passages uit de uitspraak van de rechtbank in Den Haag.

Dutchbat kon er op 12 juli 1995 in redelijkheid van uitgaan dat de Bosnische Serviers de mannen die door hen uit de rijen werden geselecteerd zouden worden onderzocht op het begaan van oorlogsmisdrijven. Zij hadden geen reden om te vrezen voor het leven van deze mensen.

■ Dat veranderde in de avond van 12 juli 1995. Toen kon Dutchbat het vermoeden hebben dat de door de Bosnische Serven geselecteerde en weggevoerde mannen een reëel risico liepen op de dood of onmenselijke behandeling.

■ Aan het eind van de middag van 13 juli had Dutchbat, gelet op wat zij toen wist en had waargenomen, zich ervan bewust moeten zijn dat er een serious risk bestond op genocide van de door de Bosnische Serven apart uit Potocari weggevoerde mannen.

■ Dutchbat had toen in de middag van 13 juli 1995 werd toegekomen aan evacuatie van de compound, een nieuwe afweging moeten maken over haar optreden in verband met de evacuatie van de vluchtelingen.

■ De rechtbank ziet onder ogen dat de situatie op de compound slecht was en dat het langer opvangen van alle daar aanwezige vluchtelingen geen reële optie was vanwege het gebrek aan voedsel en andere voorzieningen.

■ Niet blijkt echter dat het niet mogelijk was de overzichtelijke groep mannen in de weerbare leeftijd die zich op de compound bevond enige tijd langer op te vangen. Evenmin blijkt dat het laten vertrekken van de andere vluchtelingen uit de fabriekshal van de compound en het daar laten achterblijven van de mannen in de weerbare leeftijd op praktische problemen zou stuiten.

■ De rechtbank acht het aan het eind van de middag van 13 juli 1995 meewerken van Dutchbat aan de deportatie van de mannelijke vluchtelingen in de weerbare leeftijd die hun toevlucht hadden gezocht op de compound een onrechtmatige daad waarvoor de Staat aansprakelijk is. Het gaat om ongeveer 320 mannen. Het merendeel van deze mannen is niet meer levend teruggezien.

De aansprakelijkheid van de Staat strekt zich uit tot de gezinsleden van deze, aan het eind van de middag van 13 juli 1995 van de compound door de Bosnische Serven weggevoerde en daarna gedode mannen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden de echtgenoten en kinderen van de volwassen mannen en de ouders van de minderjarige mannen.