De soldaat hoeft zich niet schuldig te voelen

Nederland heeft moeite met de zwarte bladzijde ‘Srebrenica.’ De staat draagt verantwoordelijkheid voor de moord op 320 moslimmannen. Militairen voelen het als een trap na, maar hun wordt weinig kwalijk genomen.

Srebrenica is een open zenuw in de Nederlandse samenleving. Dat is wat Dirk Mulder, directeur van herinneringscentrum Kamp Westerbork, merkte toen begin deze maand duidelijk werd dat hij meehelpt met het opzetten van een museum in het voormalig hoofdkwartier van de Nederlandse Dutchbat-strijdkrachten in Srebrenica. Het ‘Dutchbat-museum’ werd dat al snel genoemd. Want: gefinancierd door de Nederlandse overheid. Mulder: „Er werd schande van gesproken. Alsof we trots moeten zijn over wat Nederland daar heeft gedaan. Maar we gaan er een eerlijk museum van maken, we willen niets verhullen. Dan kan de bezoeker zelf zijn conclusies trekken.”

De Nederlandse staat is medeverantwoordelijk voor de dood van 320 moslimmannen die in juli 1995 uit het Dutchbat-kamp Potocari zijn verwijderd en vervolgens werden vermoord door Bosnische Serviërs. Nederland is niet verantwoordelijk voor alle 8.000 doden die vielen in het als veilig bestempelde Srebrenica. Dat oordeelde de Haagse rechtbank gisteren, in een zaak die was aangespannen door de ‘moeders van Srebrenica’: een groep vrouwen die mannen en zonen verloren. Zij streden negentien jaar om verantwoordelijken aangewezen te krijgen voor de genocide.

Dat is gelukt. De Nederlandse militairen, die werkten onder vlag van de Verenigde Naties en op ‘vredesmissie’ waren, hadden volgens de rechter kunnen weten dat er een moordpartij zou plaatsvinden, toen zij zich niet verzetten tegen het meenemen van de ruim driehonderd mannen van hun kamp door milities van generaal Ratko Mladic. Hadden de moslims op de ‘compound’ mogen blijven, dan hadden ze volgens de rechtbank vermoedelijk overleefd. Nederland moet schadevergoedingen gaan betalen, en de staat is juridisch schuldig bevonden. Maar moeten de Dutchbat-militairen zich ook moreel schuldig voelen?

Evert Oostdam, commandant van een Dutchbat-wachtpost, woonde en werkte op Potocari. Hij is blij voor de nabestaanden, omdat hij begrijpt dat dit goed is voor hun verwerkingsproces. Maar de commandant is ook verbijsterd: „Het is vreselijk wat de moeders is overkomen. Het zal je maar gebeuren, dat je zoon of man als een hond wordt afgemaakt. Maar voor de veteranen is de wond weer opengereten. Het alsof we twintig jaar na dato wéér als dader worden neergezet.”

Zo voelt Julian Heel het ook. Hij hoorde bij de eerste groep Nederlandse militairen die naar Srebrenica vertrok en het Dutchbat-kamp opbouwde. Net als Oostdam spreekt hij van een „onmogelijke missie”. Beide ex-Dutchbatters vertellen dat ze onderbewapend waren. Ze waren bovendien met te weinig man, zeggen ze. Toen de troepen van Mladic de driehonderd moslims van de Nederlandse compound kwamen halen, wisten de Nederlandse militairen niet dat de burgers vermoord zouden worden. Oostdam: „Natuurlijk niet, dat wist niemand.” Gevraagde luchtsteun kwam nooit, vertellen de militairen. Oostdam: „Ik stond daar met een geweer tegen het kanon van een tank aan te kijken. Leg me eens uit, wat had ik als individu kunnen doen?”

Dáárom is de uitspraak van de rechtbank niet te verkroppen, vertelt Heel. Ook de veteranen hebben het bijzonder moeilijk met wat er in Srebrenica is gebeurd. Militairenvakbond ACOM roept op tot rust voor de Dutchbatters. Heel: „Ik heb mijn leven in de waagschaal gesteld om voor die bevolking te zorgen. Dan doet een trap na heel veel pijn.”

De moeders

Marco Gerritsen, advocaat van de ‘moeders van Srebrenica’, spreekt van „een mooie overwinning” en „genoegdoening” voor de vrouwen die hun mannen en zoons verloren. Ook Gerritsen vertelt over de situatie van negentien jaar geleden, maar dan van de andere kant. Over een moeder die met haar man de Nederlandse legercompound was opgevlucht. Haar zoon was te laat en kon niet meer naar binnen. Ze werden later allebei vermoord door de troepen van generaal Mladic. Gerritsen: „Die mensen zochten hulp, die had Nederland hun moeten geven. Dat Dutchbatters zeggen dat ze niets mochten en konden, betwisten we.”

Toch nemen ook de nabestaanden de Dutchbat-militairen niets kwalijk, vertelt Gerritsen. Dat de militairen zich aangevallen voelen door de uitspraak begrijpt hij, maar het is onnodig. De moeders houden in eerste instantie de Verenigde Naties verantwoordelijk, die de missie organiseerden. Maar, zo bleek uit eerdere uitspraken van de hoogste rechtsinstanties, de Verenigde Naties zijn onschendbaar. Daarom is de Nederlandse staat aangeklaagd. Gerritsen: „Het gaat ons om de eindverantwoordelijken: de politiek en de legerleiding.”

Geschiedenisboeken

Toen de Canon van Nederland werd samengesteld, met belangrijkste momenten uit de geschiedenis, twijfelde de samenstellingscommissie of ‘Srebrenica’ moest worden opgenomen. Dat gebeurde uiteindelijk wel, maar met de aanbeveling dat Nederlandse leerkrachten hun leerlingen gedegen uitleg moeten geven en er zorg voor dragen dat niet alle gruwelbeelden van de moordpartijen worden getoond.

Dirk Mulder van herinneringscentrum Kamp Westerbork vindt dat Nederland onvoldoende beseft dat Srebrenica een belangrijk onderdeel is van onze geschiedenis. In de geschiedenisboeken voor de middelbare school ziet hij het onderwerp „mondjesmaat” terug. Het wordt beschouwd als zwarte bladzijde, en „we hebben in Nederland de neiging die te snel om te slaan”. Daarom werkt Mulder mee aan het opzetten van het museum in het voormalig Dutchbat-hoofdkwartier. Al zou over de tentoonstellingen nog wel eens discussie kunnen ontstaan. Want accepteert de belangrijkste financier, de Nederlandse overheid, bijvoorbeeld het tonen van de pijnlijke foto van de Nederlandse commandant Thom Karremans die een glas drinkt met generaal Mladic? Mulder: „Dat beeld is hét icoon geworden van het veronderstelde Nederlands falen in Srebrenica. Zo’n icoon mag niet ontbreken, maar we overleggen wel met de overheid. Dat kan spannend worden. Het is mijn taak een evenwichtige tentoonstelling te maken.”

Excuses

Excuses heeft Nederland nooit aangeboden. Minister-president Wim Kok (PvdA) stapte in 2002 met de ministersploeg op, maar zei bij die gelegenheid dat Nederland „nadrukkelijk niet de schuld op zich neemt voor de gruwelijke moord op duizenden Bosnische moslims”. Wel zei hij „politieke verantwoordelijkheid” te voelen. Vorig jaar stelde de Hoge Raad de Nederlandse staat al verantwoordelijk voor de dood van drie Bosnische moslims: een elektricien van Dutchbat, plus twee familieleden van een tolk die ook door het Nederlandse leger werd betaald. Toen zei een aantal ministers dat Koks standpunt onveranderd de mening van de regering had verwoord met betrekking tot excuses. Kok laat deze krant weten zich te onthouden van commentaar.