De schaafijsmannen van Kwakoe

Met goed weer zie je in de Bijlmer de versierde karren overal opduiken. En ook het publiek op het festival Kwakoe in Amsterdam weet hoe je wat verkoeling krijgt: met Surinaams schaafijs.

Het is iets na vijven wanneer Lloyd Uiterloo een poging doet om drie meiden in fleurige jurkjes naar zijn schaafijskar te lokken. Hij wijst naar zijn kar en roept met een gulle lach: „Dames, stop maar met lopen. Beter dan mijn schaafijs vind je hier niet. Kom maar proeven.” De meiden lachen, zwaaien naar Lloyd en beloven later op de dag terug te komen. Lloyd neemt genoegen met deze belofte. Hij heeft vandaag dan ook geen klachten over een gebrek aan klandizie. Op het Kwaku Summer Festival, dat in de volksmond nog gewoon Kwakoe wordt genoemd, schijnt de zon volop en weet het overwegend Surinaamse publiek hoe het verkoeling moet zoeken: met schaafijs. Schaafijs hoort bij Suriname zoals roti bij Suriname hoort, en peper en zuur bij een broodje bakkeljauw. Wie ooit in de voormalig kolonie is geweest is bekend met het fenomeen. De binnenstad van Paramaribo staat vol met kleurrijk versierde karren met daarop een groot blok ijs dat is omringd door talloze flessen siroop. Schaafijs is dan ook in feite niets meer dan een bekertje gevuld met geschaafd ijs en vruchtensiroop, eventueel aangevuld met water en melk. Zo simpel als het is, zo diep geworteld zit schaafijs in de Surinaamse cultuur. Het is dan ook geen verrassing dat de vele Surinamers die na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 naar Nederland trokken, hun schaafijs meenamen. Nog altijd zie je met goed weer in de Amsterdamse Bijlmer de schaafijskarren overal vanuit het niets opduiken. Ook op Kwakoe zijn ze deze zomer prominent aanwezig. Drie schaafijsmannen vertellen over hun werk en hun kar.