‘De collectie is ons dagboek’

Het Stedelijk laat 200 werken uit de collectie-Sanders zien. Een markeringspunt, vindt het echtpaar. „We zullen niet zo snel meer een nieuwe kunstenaar gaan volgen.”

Onder de trap in het huis van Martijn en Jeannette Sanders is een eng, donker hokje. Als je je hoofd erin steekt, floept een lampje aan en verschijnt een tekst op de zwart geverfde muur. Daarin beschrijft een dokter een executie met de guillotine: „Het hoofd gaat eraf, daarna leeft de geëxecuteerde nog dertig seconden. Hij knippert nog met zijn ogen, net zo lang als het duurt om deze tekst uit te lezen.” Daarna floept het licht weer uit.

Het is de installatie 30 seconds van de Schotse kunstenaar Douglas Gordon die in 1996 de Turner Prize won, de belangrijkste Britse kunstprijs. „Douglas heeft die ruimte zelf uitgezocht, op een woeste avond in een dronken bui”, zegt Martijn Sanders. Jeannette Sanders: „Vroeger bewaarde ik kratten in dat hokje.”

Het werk wordt vanaf zaterdag in het Stedelijk Museum in Amsterdam getoond, samen met ruim 200 andere uit de collectie-Sanders. De tentoonstelling kreeg de titel Bad Thoughts, ontleend aan een werk van Gilbert & George. „De titel verwijst naar de vaak donkere kant van de werken die het echtpaar Sanders kiest”, zegt curator Martijn van Nieuwenhuyzen, die de tentoonstelling maakte. „Maar het is ook een verwijzing naar het verzamelen zelf, een wat duistere psychologische conditie, grenzend aan verslaving.”

Martijn Sanders komt uit een verzamelaarsnest; zijn ouders, wijlen Piet en Ida Sanders, hadden een beroemde kunstverzameling, die deels in 2013 bij Christie’s in Amsterdam werd geveild, voor bijna 6 miljoen euro. Er kwamen veel kunstenaars bij hen thuis. „Mijn vader was erg gericht op de kunstenaar. Daar wilde hij heel graag contact mee hebben, veel meer dan wij.” Martijn Sanders moest er zelf eerst niets van hebben, dat „opgewonden gedoe” met die kunstenaars.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Net als zijn broer Pieter begon ook Martijn met verzamelen. De aanleiding was een verbouwing van zijn flat in Amersfoort, in 1971. Hij en Jeannette wilden ter decoratie één kunstwerk, een groot zwart-wit constructivistisch schilderij van Peter Struycken. De architect, Cees Dam, liet het tapijt oplopen over de muur en hing het schilderij daarop. Jeannette Sanders: „We hadden twee katten en die kropen telkens onder het schilderij.”

Art & Project

Daarna was de rem eraf. Martijn Sanders: „We maakten elke zaterdagmiddag een rondje langs de galeries. Er waren toen veel minder galeries dan nu. Wij kochten bij een stuk of vijf, zes galeries.” Een daarvan was Art & Project van Adriaan van Ravesteijn en Geert van Beijeren in Amsterdam, aan wie de tentoonstelling is opgedragen. „Zij hebben ons leren kijken. En de taal van die moderne kunst een beetje leren verstaan.”

In het begin ging het verzamelen vooral gepaard met misverstanden en onzekerheid. „We waren piepjong en doodsbenauwd”, zegt Jeannette Sanders. Zo hadden ze bij een galerie werk gekocht van Armando, maar durfden ze niet op hem af te stappen toen ze hem ontmoetten bij een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Later raakten ze alsnog hecht bevriend. Armando nam hen mee naar Duitsland en liet hen kennismaken met de Duitse schilderkunst. „Dat heeft ons ontzettend beïnvloed in onze smaak”, zegt Martijn Sanders. „We zijn altijd doorgegaan met het verzamelen van conceptuele kunst, maar tegelijkertijd gingen we ook Duitse neo-expressionistische, figuratieve schilder- en beeldhouwkunst verzamelen.” In hun collectie bevindt zich onder meer werk van Anselm Kiefer, Georg Baselitz, Markus Lüpertz en A.R. Penck.

Met name het werk van Kiefer trof het echtpaar recht in het hart. Hij is een van de kernfiguren in de verzameling. „We zagen zijn werk voor het eerst op de Jeugdbiënnale in Parijs, in 1977”, vertelt Martijn Sanders. „We hadden nog nooit van hem gehoord. Ik dacht dat schilderkunst dood was. Maar daar zag ik een schilder die gewoon zijn eigen gang ging. Die zich schaarde in de traditie van de grote Duitse schilders. Toen hebben we onmiddellijk werk van hem gekocht.”

Regelmatig bellen er galeries op, om te vragen of ze die vroege Kiefers willen verkopen. Het antwoord luidt altijd ‘nee’. Wel geven ze regelmatig werk in bruikleen. Drie Kiefers hangen in het Van Abbemuseum. Jeannette Sanders: „Eén van mijn lievelingswerken was een Kiefer die we in bruikleen hadden gegeven aan het Armando Museum. Dat is in 2007 bij de grote brand verloren gegaan. Daar ben ik nog altijd treurig over.”

Hoeveel werken ze precies bezitten, weten ze niet. Zij: „Honderden, geen duizenden.” Ze zijn het ook wel eens oneens over een aankoop. Hij: „Dat zesluik van Martin Kippenberger, Schade, daß Wols das nicht mehr miterleben darf, ik geloof dat jij daar geen voorstander van was, Jeannette.” Zij: „Ik vond het toen ontzettend heftig. Nu vind ik het eigenlijk heel braaf. Idioot hè?”

Strategie

Ze zijn geen programmatische verzamelaars, met een vastgesteld budget en een vaste strategie. Martijn: „Dat hebben we wel geprobeerd, maar vervolgens kwamen we dan een kunstwerk tegen dat totaal niet aan de regels voldeed maar dat we wel fantastisch vonden en dus kochten.” Desondanks ontwaart tentoonstellingsmaker Van Nieuwenhuyzen een lijn in de aankopen. „Vooral de hang naar het narratieve valt op”, zegt hij. „De werken vertellen allemaal een verhaal. Ook het conceptuele werk. En er zit die donkere ondertoon in.”

Ze beschouwen de collectie als hun gezamenlijke dagboek. Lopend door de tentoonstelling-in-wording in het Stedelijk borrelen er herinneringen op. „Dit grote drieluik van Robert Longo,” zegt Martijn Sanders, „hebben we gekocht toen Jeannette zwanger was, in 1981. We waren in Venetië en zaten aan het zwembad. Ik zat een kunstmagazine door te bladeren en zag daarin een advertentie van een galerie in Milaan. Daar was een Longo-tentoonstelling geweest, een kunstenaar van wie ik net in New York werk had gekocht. We zijn halsoverkop naar Milaan geracet. De galeriehouder liet ons een paar werken zien waar we niet veel aan vonden. Toen zei hij: ik heb nog één groter werk in de opslag. Daar had hij dat drieluik. We hebben het opgerold achterin de Alfa Romeo gelegd en de hele vakantie meegezeuld.”

Van ongeveer honderd kunstenaars hebben ze clusters van werken verzameld. Soms vijf, soms tien, soms twintig werken. Naast Kiefer zijn dat Gilbert & George, Cindy Sherman en Christopher Wool. Martijn Sanders: „Die hebben we heel vroeg gekocht. Ons budget was helemaal niet zo hoog hoor. 3.000 gulden is heel lang onze limiet geweest. Die kunstenaars zijn nu onbetaalbaar geworden.” Hij vindt het leuk als de kunstmarkt hem ‘gelijk’ geeft. „Maar het bepaalt niet mijn tevredenheid over het werk. Ik ben zelf gek op het werk van Francesco Clemente, ook al krijgt die internationaal weinig erkenning meer.”

Ook van jongere kunstenaars kopen ze vaak meerdere werken. Bijvoorbeeld van Anton Henning uit Duitsland, die speciaal voor de tentoonstelling een kleurige muurschildering heeft gemaakt als achtergrond voor het ensemble dat zij van hem hebben.

Eén van hun laatste ontdekkingen is het videowerk van Hito Steyerl. Martijn Sanders: „We waren afgelopen najaar op de Biënnale, waar we alle landenpaviljoens al hadden afgelopen en vervolgens die hele Arsenale. We waren bijna bewusteloos van vermoeidheid. Helemaal achteraan op het terrein, in een oude opslagplaats, bleken nog een paar solopresentaties te zijn. Daar zagen we deze video van Hito Steyerl, waarvan onze energie weer helemaal terugkwam. Bij thuiskomst heb ik uitgezocht welke galerie haar vertegenwoordigt en daar heb ik twee werken gekocht.”

Het Amerikaanse tijdschrift ArtNews plaatste het echtpaar onlangs nog in de lijst van de 200 belangrijkste internationale verzamelaars. Maar ze weten niet of ze daar nog lang in zullen staan. In mei waren ze op Art Basel, maar ze kochten niets. „Het is wel duidelijk dat het grootste deel van onze verzamelactiviteit achter de rug is”, zegt hij. „We zullen niet zo snel meer een nieuwe kunstenaar gaan volgen.”

Hebben ze al een idee wat er in de toekomst met hun collectie moet gebeuren? Laten ze die veilen? Of overwegen ze een schenking? Zij: „Onze collectie is zo verscheiden, die kun je niet in haar geheel bij een museum onderbrengen.” Hij: „Als een museum heel graag één of twee dingen wil hebben, valt daar best over te praten.”

Een eigen museum beginnen, zoals Joop van Caldenborgh, willen ze niet. Zij: „Daar hebben wij niet de middelen voor, maar ook niet de behoefte aan.” Hij: „We hebben nooit de pretentie gehad een museale collectie op te bouwen. Als er een bepaalde stroming was, hebben we rustig allerlei kunstenaars overgeslagen. Het is onze privécollectie, ons dagboek. Daar willen we geen verantwoording over afleggen.”