Column

Frankrijk leeft

Je hoort wel eens zeggen dat het niet zo goed gaat met Frankrijk: hoge werkloosheid, een president die zich met een integraalhelm op per brommer naar zijn maîtresse laat vervoeren en mede daardoor de achting van zijn volk heeft verloren, opkomst van extreem-rechts, zelfs slechte restaurants. Maar aan de lange rij voor de ambtswoning van de Franse ambassadeur bij de receptie voor Quatorze Juillet zou je dat niet zeggen: Frankrijk leeft, in ieder geval in Den Haag.

Tevreden sta ik tussen de borrelende menigte in de tuin – de bestormers van de Bastille in 1789 kozen het juiste seizoen uit. Ik ben een francofiel, drager van een ideologie die in Frankrijk het hoogste ziet wat de menselijke beschaving heeft voortgebracht, ongeacht de vrijwel permanente economische, politieke of sociale crises waarin het land verkeert.

Ik heb mijn francofilie geërfd van een grootvader die als bankier veel zaken deed met Frankrijk. Hij waardeerde in Parijs met name de lichtzinnigheid: de meisjes van de Folies Bergère ging hij bij voorkeur op maandagmiddag zien, want dan bleef de hele voorstelling het toneelgordijn open en kon je zo goed de toneelmachinerieën bewonderen. Meisjes uit mijn studententijd hadden een ernstiger reden om van Frankrijk te houden. Zij zagen vaak een lichtend voorbeeld in het filosofenpaar Simone de Beauvoir-Jean Paul Sartre: niet louter seks, maar samen nadenken en schrijven. Dat was overigens voordat Sartre onthulde dat hij nooit zonder duizenden francs op zak de straat op ging, om meteen te kunnen toeslaan als hij een begeerlijke vrouw zag.

Mijn grootvader was bestuurslid van de Alliance Française, een netwerk van clubs in de hele wereld dat in Nederlandse steden vaak fungeerde als verzamelpunt voor de plaatselijke elite, een beetje als de Rotary. In Hengelo, hoorde ik laatst, was tot in de jaren zestig het jaarlijkse bal van de Alliance Française dé societygebeurtenis. Met die vorm van francofilie gaat het niet zo goed, hoorde ik van Marcel Bugter, voorzitter van de Alliance Française in Nederland. Toch zijn er nog steeds 33 afdelingen in Nederland, met ongeveer 2.500 leden, die voor zo’n 7.500 cursisten taallessen organiseren, en lezingen en een jaarlijks songfestival.

Deze aantallen nemen echter niet toe, zoals er in Nederland slechts tweehonderd universitaire studenten Frans zijn. Ontelbare Nederlanders hebben tegenwoordig een tweede huisje in Frankrijk – maar met belangstelling voor Franse taal en cultuur gaat dat niet gepaard.

Ze weten niet wat ze missen, vindt een ware francofiel. La France généreuse, om een uitdrukking van generaal De Gaulle te citeren, heeft mij vroeger ruimhartig in staat gesteld om zwaar gesubsidieerd haar taal te leren, en mij op die manier een tweede, geestelijk vaderland verschaft. Op het gebied van de geest is Frankrijk immers alles wat Nederland niet is: het is een land waar kunst, cultuur en intellectuelen in hoog aanzien staan. Wanneer in Nederland weer eens plat mercantilisme en anti-intellectualisme in het openbare leven de overhand krijgen, zoals in de laatste jaren, is het goed te weten dat er zo’n parallel universum bestaat. Frankrijk is een fijn idee.