Een sterke maag is wel nodig

De bewoners zijn overleden, en wat blijft over?Verwaarloosde woningen van mensen die soms al jaren in een sociaal isolement zaten. Wolter Nieuwenhuis ontruimt de huizen.

Wolter Nieuwenhuis: „Als een lichaam langer dan een maand in een woning ligt, dan trekt de geur in de muren.” Foto Peter de Krom

‘Ga maar niet zitten”, zegt Wolter Nieuwenhuis met een knikje naar de blauwe, nepleren bank. „Het schijnt dat de bewoner zijn urine soms liet lopen. Dus ik weet niet precies hoe schoon het hier is.” Het is kwart over tien ’s morgens, maar het klokje op de schouw geeft een heel andere tijd aan. De kalender aan de muur hangt nog op de maand april. Op de salontafel staat een bakje met paaseitjes, ernaast liggen twee kromgetrokken bierviltjes. In de vensterbank staan vier planten. Allemaal dood.

Zojuist heeft Nieuwenhuis een medewerker van de woningbouwvereniging uitgelaten. Nu staat hij in de woonkamer en maakt aantekeningen. Hij is bezig met een inventarisatie van wat er straks allemaal moet gebeuren. ‘Spijkers en schroeven verwijderen’, staat er in blokletters. En: ‘schuurtje in de tuin afbreken’. De vloer, groezelig laminaat, mag blijven liggen. Goed nieuws voor Nieuwenhuis: „Het schijnt dat er nog twee lagen tapijt onder liggen. Dat scheelt me een hoop werk.”

Wolter Nieuwenhuis (41) is met zijn bedrijf aangesloten bij Woningontruiming Regionaal, een landelijke organisatie gespecialiseerd in huisontruimingen en verhuizingen. Hij haalt woningen leeg en levert ze ‘veegschoon’ op, zodat ze weer kunnen worden verkocht of verhuurd. Zijn opdrachtgevers zijn vaak kinderen van wie de ouders zijn overleden of naar een verzorgingstehuis moeten. Soms gaat het om sociaal geïsoleerde mensen en zijn de woningen behoorlijk verwaarloosd.

Zo ook vandaag. De bejaarde bewoner van het huis in de Utrechtse Jan van den Doemstraat kwam nauwelijks buiten. Hij had al tien jaar geen contact meer met zijn familie, weet Nieuwenhuis. Met niemand eigenlijk, behalve met zijn buurman die om de dag een boodschap voor hem deed. Die buurman vond hem een paar weken geleden in zijn bed, overleden. Met een ambulance is het lichaam opgehaald.

Soms loopt het minder goed af. De volgende bestemming is een woning waarvan de bewoonster al een aantal weken was overleden voor ze werd gevonden. „Dan moet je een sterke maag hebben”, zegt Nieuwenhuis. „Als iemand een maand of langer in een woning ligt, dan trekt het in de muren. En je wilt niet weten wat er in zo’n geval met een houten vloer gebeurt.”

Laatst was er nog iemand die een auto wilde verkopen waarin een lijk had gelegen, vervolgt hij. „Wat ze ook probeerden, die geur ging er niet uit. Het leek wel alsof het in het staal was gaan zitten. Die auto is toen maar naar de sloop gebracht.”

Een speciaal team dat lijken opruimt

Nieuwenhuis vertelt het allemaal schijnbaar onbewogen. Maar als hij over dit aspect van zijn werk praat, dwaalt zijn blik een beetje af. Met lijken komt hij zelf nooit in aanraking. „Dan komt er eerst een speciaal team langs. Wij doen alleen het ontruimen achteraf.”

Hij loopt een rondje door de kleine woonkamer. „Kijk”, zegt hij, wijzend naar het dressoir waarop een paar leesbrillen liggen. „Dat is mooi. Die sturen we naar Afrika.” Anders dan bij de meeste andere ontruimingsbedrijven, zegt Nieuwenhuis, wordt de boedel door hem niet alleen zorgvuldig verwijderd, maar ook zoveel mogelijk hergebruikt. „Oude mobieltjes leveren we in bij Clini Clowns, grote meubels, computers en televisies gaan naar de kringloopwinkel. En we werken ook samen met een veilinghuis en een antiquair.”

Hij komt de gekste dingen tegen. Driehonderd kilo kleding bijvoorbeeld. Of laatst, toen hij een oude tandartsenpraktijk moest ontruimen kwam er een bakje met kiezen uit een la. Zijn collega’s hebben eens een envelop met 9.000 gulden gevonden. Wat ze met het geld deden? „Dat is netjes terugbezorgd bij de nabestaanden.”

Nieuwenhuis doet drie à vier ontruimingen per week. Hij doet het werk nog niet lang. Tot een paar maanden geleden werkte hij in de financiële dienstverlening. Maar daar was hij op een gegeven moment „helemaal klaar mee”, verzucht hij. „Ik werkte van half 8 ’s ochtends tot tien uur ’s avonds, ik zag mijn kinderen nauwelijks.”

Hij vervolgt zijn ronde door de woning. Via het piepkleine keukentje loopt hij de verwilderde tuin in. Achterin staat een schuurtje. Het dak is ingezakt, er groeit klimop naar binnen. „Deze ziet er nog best aardig uit”, zegt Nieuwenhuis leunend op een knalgele hometrainer. De neiging om bruikbare spullen mee te nemen heeft hij niet, hoewel het wel zou mogen. „Mijn vriendin zou gek worden. Laatst had ik twee pakken wasmiddel meegenomen: een volle en een halfvolle. Die aangebroken verpakking heeft ze meteen weggegooid.”

Over een paar weken keert Nieuwenhuis terug met een busje om alle spullen af te voeren. En twee sterke collega’s, want dat schuurtje moet worden gesloopt.