Column

Dineren als vlucht

Als mensen zich niet meer gelukkig voelen in hun werk, kan dat zichtbaar worden in hun gedrag. Ze vluchten in hun hobby’s en vakanties, ontwijken gesprekken over hun baan of kankeren er juist excessief op. In dit verband moet ik heel behoedzaam – misschien leest hij mee – de aandacht op president Obama vestigen. Vindt hij het nog wel leuk in dat Witte Huis?

Ik kom hierop dankzij een artikel van Julie Hirschfeld Davis in The New York Times; zij is voor die krant correspondent in Het Witte Huis. Deze week schreef ze een artikel onder de kop: „Bij het diner, rusteloze president vindt intellectuele ontsnapping.”

Ze beschrijft hoe Obama bij een recent bezoek aan Rome meteen na aankomst aan de Amerikaanse ambassadeur vroeg of hij een diner wilde organiseren. Haastig moest de ambassadeur wat Italiaanse intellectuelen bij elkaar scharrelen. De befaamde architect Renzo Piano snelde uit Genua toe, evenals de natuurkundige Fabiola Gianotti uit Genève, plus John Elkann, topman van Fiat en eigenaar van voetbalclub Juventus, en zijn zus Ginevra, een filmregisseur.

De groep praatte tot middernacht over „het belang van begrip voor de wetenschap, de toekomst van het universum, hoe sport mensen bij elkaar brengt en veel andere onderwerpen.” Vooral die ‘toekomst van het universum’ imponeert me. Ze zullen er toch wel genoeg tijd voor hebben vrijgemaakt, of was het meer een onderwerp voor bij het dessert?

Obama wijdt zich volgens Hirschfeld Davis steeds vaker aan dergelijke diners, die een andere kant van hem laten zien. „Het geeft een inkijkje in een president die intellectuelen verkiest boven politici, en misschien in het verfijnde gezelschap van Obama nadat hij uit Het Witte Huis is vertrokken.”

De diners zouden een toevlucht zijn voor een president die de verplichtingen van Het Witte Huis beu is en geen zin meer heeft in al die party’s met de beroemde rijken van Amerika. Liever geen bombastische eetpartijen meer met Republikeinse leiders uit de Senaat in het Jefferson Hotel in Washington, maar onbevangen gesprekken over kunst, architectuur en literatuur. „Hij voelde zich duidelijk op zijn gemak bij ons”, zei architect Piano over het diner in Rome – en er was juist niet over politiek gepraat. Obama, die ooit zelf de ambitie had architect te worden, had Piano veel over zijn werk gevraagd.

Hirschfeld Davis herinnert aan een al wat ouder citaat van Obama: „Sommige mensen vinden nog steeds dat ik niet genoeg tijd besteed aan het Congres. Waarom ga je niet wat drinken met Mitch McConnell, vragen ze. Nou ja! Waarom ga jij niet wat drinken met Mitch McConnell?” Deze McConnell is de conservatieve leider van de Republikeinen in de Senaat.

Het is al eerder vastgesteld: Obama is geen sociaal dier, zoals Bill en Hillary Clinton dat zijn; die bezoeken party’s om hun contacten uit te breiden. Obama wil in gesprekken zijn horizon verbreden, zei een van zijn adviseurs. „Het houdt hem fris. Het geeft hem nieuwe ideeën om over na te denken.”

Dat is mooi en dat is goed, maar wat maakt een president effectiever in de politiek – de benadering van de Clintons (en die van een destijds ook al zo sociabele president als Johnson) of die van Obama?

Bij Obama ruik ik een begin van afkeer van de politiek, ik hoor hem al thuis bij de afwas tegen Michelle zeggen: „Ik zal blij zijn als ik over twee jaar die rotkoppen nooit meer hoef te zien.”