Muziek besmeurd met modder

Al dertig jaar maakt het Australische trio Cosmic Psychos bikkelhardeboerenkinkelpunkrock over dode kangoeroes en dubbelloops jachtgeweren. Deze week treden ze op in Groningen en Utrecht.

Ross Knight snapt het zelf eigenlijk ook niet. Drie foeilelijke gasten toeren over de hele wereld, spelen in prachtige steden, krijgen heerlijk te eten en ontmoeten ook nog overal aardige lui. Rara, hoe kan dat toch? Aan hun looks kan het in ieder geval niet liggen, zegt hij. Want de gitarist lijkt meer op een derderangs komiek dan op een rockgod, achter de drums zit een afzichtelijke kale dwerg, en zelf is Knight een gebochelde bonk spieren met een hondenkop én een matje. „Uiteindelijk ben ik gewoon een boer”, zegt de zanger-bassist verwonderd, alsof hij ook niet gelooft dat hij na dertig jaar op het podium nog steeds zijn trommelvliezen en lever teistert. „Een fucking farmer!”

Het is een van de mooiste scènes uit Blokes You Can Trust, de vorig jaar verschenen film over het Australische trio Cosmic Psychos. Want inderdaad: in het volgende shot staat Knight op de stoffige grond van zijn boerderij tussen gigantische graafmachines, lurkend aan een sjekkie. Fans herkennen die apparaten meteen. Want kijk maar, daar staat de bulldozer waarop de band poseerde voor die geweldige platenhoes van Go The Hack (1989). En die rode trekker waarop we Knight vrolijk rond zien crossen, die kennen we natuurlijk van het nummer ‘I Love My Tractor’.

Een bas als een dieselmotor

Cosmic Psychos maakt bikkelharde boerenkinkelpunkrock, als een soort bastaardkruising van Normaal en Motörhead. Daarin zoemt Knights bas even venijnig als de dieselmotor van zijn John Deere, hakt drummer Bill Walsch op zijn trommels alsof hij bomen aan het rooien is en laat Robbie ‘Rocket’ Watts zijn gitaar janken als een roedel ontroostbare dingo’s. Wie het onvervalst Australisch knagende kauwaccent van Knight weet te ontcijferen, hoort hem grommen over dode kangoeroes, kettingzagen en dubbelloops geweren. Bij de oprichting van de band moest hij nog overgehaald worden, geeft hij toe. Maar ach: „Zo moeilijk is dat zingen ook weer niet.”

Het elementaire, rauwe en energieke geknetter wordt het best omschreven door hun eerste platenbaas: „Muziek besmeurd met modder.” Al bleek lang niet iedereen dat meteen te begrijpen. Veel platenwinkels wilden de debuutplaat terugsturen, omdat ze ervan overtuigd waren dat ze een verkeerde persing hadden gekregen. Allemaal kregen ze hetzelfde antwoord: dat voortdurende gekraak, ook wel fuzz geheten, dat was juist de bedoeling.

Het gekraak stak zelfs de oceaan over en belandde in die ene stad in het noordwesten van de Amerikaanse westkust, waar jonge bands aan een nieuw geluid knutselden: Seattle. Mudhoney, Melvins, Pearl Jam, Nirvana – ze hadden allemaal de bulldozerplaat in de kast staan. „Een van de drie beste platenhoezen aller tijden”, zegt Pearl Jam-zanger Eddie Vedder over Go The Hack. „Nummers die gaan over bulldozers besturen, dat is voor mij pas echt punkrock.” De band had „een erg grote invloed op de grunge”, aldus producer Butch Vig, die Nirvana’s Nevermind opnam. En hoewel ze dat commerciële succes nooit zouden evenaren, ondervond Vig wel hoe de Psychos in de studio – tijdens de opnames van Blokes You Can Trust (1991) – een ander record verpulverden: dat van het aantal weggewerkte liters bier. Vandaar ook de ondertitel van de gelijknamige documentaire: ‘30 years and a million beers’.

Maar naast een indrukwekkend spoor van lege blikken en slechthorenden kwam het wel degelijk nog tot een commerciële doorbraak, en dan uitgerekend in de scene waar je dat het allerminst zou verwachten: de dance.

Dat begon gek genoeg in de repetitieruimte van vrouwelijke grungerockers en fans van het eerste uur, L7. Toen gitarist en zangeres Donita Sparks haar nieuwe nummer ‘Fuel My Fire’ aan de andere bandleden liet horen, zeiden die: „Leuk, maar dat refrein klinkt net als ‘Lost Cause’ van Cosmic Psychos.” Vele vergeefse pogingen tot herschrijven later besloot Sparks zichzelf moed in te drinken, naar Australië te bellen en Knight te vragen of ze de riff mocht lenen, in ruil voor naamsvermelding. Knight, die midden in de nacht wakkerschrok van haar telefoontje, mompelde: „Yeah, yeah, whatever.”

De grote klapper kwam toen The Prodigy ‘Fuel My Fire’ coverde op hun album Fat of the Land (1997) waarvan er tien miljoen werden verkocht. Knight vat het in de film vanuit zijn boerenschuur als volgt samen, ondertussen vliegen verjagend en „Piss off!” naar ze roepend: „It was the biggest fucking shock I ever had in my life.”

Hij is er, kortom, lekker gewoon onder gebleven. En hij mag dan inmiddels het enige overgebleven originele bandlid zijn - drummer Walsch werd in 2005 ontslagen na een ruzie over geld, gitarist Watts overleed in 2006 na een hartaanval - hij is niet van plan te stoppen met optreden. „Het voelt nog steeds als vrijdagavond na een week hard werken.”